elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hijsen

hijsen , hijschen , (transitief werkwoord) , opheffen, naar de hoogte brengen. “Hij is aan het hijschen,” zegt men van iemand die te veel borrelt. Ze hebben net zoo lang gehijscht, tot ze allen de hoogte hadden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hijsen , hiezen , hijschen; omhooghiezen = ophijschen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hijsen , heisse , drinken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hijsen , hijse , werkwoord , een moeilijk, zwaar karwei volbrengen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘We moeten ’t zien te hijsen.’ (Werk) Ook in het westen van de eigenlijke Vechtstreek (Portengen, Kockengen, Spengen; zie Van Veen 1989, p. 70).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
hijsen , hijsen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. hijsen 2. veel eten of drinken Hij is aordig an ’t hijsen (Wsv), Zie zaten mooi an de tap te hijsen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hijsen , hijsteren , werkwoord , ophijsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hijsen , heisen , hijsen , werkwoord , 1. ophijsen 2. meppen, klappen uitdelen 3. veel bier drinken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hijsen , hijse , werkwoord , hijs, hees, geheese , [Nbl] hijsen, redden Zôô hard astie hijse kon Zo hard als hij het verwerken kon Dat hijs ik niet hoor! Dat red ik niet hoor! (Tegenwoordig zegt men ’dat trek ik niet’)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hijsen , ijsen , (werkwoord) , ijsen, e-ijst , hijsen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hijsen , hèèse , sterk werkwoord , hijsen; B hèèse - hêes - geheese - geen vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal