elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoed 

hoed , [inhoudsmaat] , hoed , Dat hoed voorheen niet alleen van kolen, maar ook van rogge, haver, boonen, erwten, gerst en diergelijke gebruikt werd, blijkt uit de Keuren en costumen van Breda, bij mij in handschrift berustende. Ook wordt het bij KILIAAN als eene maat van drooge waren in het algemeen opgegeven.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
hoed , hoed , voor bloemenkrans is nog veel in gebruik. In middeleeuwsche geschriften en liederen komt het durig voor.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hoed , hôd , (mannelijk) , hö̂ , hoed.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hoed , houd , hoed. Zegswijs: men ken hōm wel onder de houd vangen, zooveel als: hij is zeer gedwee, in ’t geheel niet brusk of brutaal meer, ook: hij toont weinig levenslust te bezitten; da’s: schipper! gooi mien houd in dijp, zegt men tegen iemand die er maar wat op los babbelt, die praat omdat hij moet praten. Spreekwoord: As’t houden regent valt mie nog gijnent op kop = As’t pankouken regent bin onze schuddels omkeerd, bij Harreb. Als het brij regent, zijn mijne schotels omgekeerd. Strelitz Wenn ’t höd rägent, mi fel ken uppen kopp. Met de andere lezing stemmen o.a. overeen die van Kastede, Meurs en Driburg.
dreitimte houd, hoed met drie timpen of tippen, zooals in ’t begin dezer eeuw nog door oude boeren werden gedragen. Oostfriesch dreetimpt, driehoekig, van een steek, in vroeger dagen de gewone dracht der boeren, eigenlijk = driekantige hoed, Westfaalsch draitimpig.
hooge houd, zie: hokje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoed , hoed , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. boerehoed.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hoed , hoei , hoed , mv. hoeie, hoeden. De stedente dat zijne de Heere, Ze draoge de hoeie mitte veere! (wijze: Io vivat). ‘De straatjongens roepen tegenwoordig (de aanteekening is van omstreeks 1840) de menschen na: Geef hier je hoei en laat hem ijken! Ook hoorde ik eens vragen: Mijnheer is je hoed al geijkt?’, Aanteekeningen van P. J. Vermeulen, indertijd Archivaris van Utrecht.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
hoed  , hood , heud , hudje , hoed.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hoed , houd , mannelijk , höude [hœŭә], höie , höichien , hoed. Ook: beugel waarmee de dorsvlegel bevestigd is aan de stok
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hoed , hood , zelfstandig naamwoord, mannelijk , heu , heudjen , hoed. Geballie heudjen, bolhoedje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hoed , huuj , hoeden (mv. van hoed.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hoed , hoej , zelfstandig naamwoord , meervoud van hoed. De koonegin hè wèl honderd hoej. En hoen! De koningin heeft wel honderd hoeden. En wat voor! Ook: En wèffere!
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
hoed , hood , hoed.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
hoed , hoed , hutie , hoed.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hoed , hoed , houd, hood, hooud, hoodte , de , hoeden, hoe (Pdh) , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook houd (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe), hood (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), hooud (Midden-Drenthe), hoodte (Midden-Drenthe) = 1. hoed Hij nam de houd veur hom of (Row), Hai kon wel ain zeupie op hebben want hai het de houd op ain oor (Vtm), Hie hef een hoge hoed op (Sle), Het hoedtien kwam bij ’n brulfte of ’n groeve op ’t ooriezer (Pdh), Zie speult under eein hooudtie (Eex), Hij is neit onder aain houdie te vangen (Een), Zien hoed stiet op half zeuven op half elf hij is dronken (Pdh), Zo hef Albert der ’n nei hoed an verdiend? was hij huwelijksmakelaar? (bb), of Die vent hef der een blikken houd an verdeind heeft het stel samengebracht (Bov), Daor neem ik de hoed veur of daarvoor heb ik waardering (Dwi), As kinder deden wij hoedtien plak an’ as er iene mit een strohoedtien langs gung je duim nat maken en in je hand drukken, dan de vuist er op en vervolgens in je handen klappen (Coe), zie ook hoedtienplakken 2. op een hoed gelijkend voorwerp Bie dat huidken mot een bitken eulie want hij wil nich meer in ’t rond hoedje van de dorsvlegel (Bco), ook van slaghoedje op een patroon *Met de hooud in de hand koj deur het ganse land (Gro), soms gevolgd door ...Mor met de pet op je test koj der ok best (Sle); Gien hooud zo groot of der past wel ’n kop under (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoed , hoéd , hoed. mv. húúj. verkl. húújke.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hoed , oed , ôêd , (Kampen) hoed. Ook: ôêd (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hoed , hoed , zelfstandig naamwoord , de; 1. hoed 2. vlegelkap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hoed , hoed , zelfstandig naamwoord , hoeje , hoetjie , [O, veroud] inhoudsmaat voor kolen (18 mud), graan, kalk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hoed , huudje , hoedje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hoed , oed , (zelfstandig naamwoord) , utien , hoed.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hoed , oet , oeje , hoed , twee oeje = twee hoeden- ge zie nie veul mèèse mjir meej n’n oet op = je ziet niet veel mensen meer met een hoed op-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hoed , hoewd , huûj , huudje , hoed , Ménnen hoewd die hi vier deujke. Mijn hoed die heeft vier deuken., Hans hi ’n huudje óp. Hans heeft een hoedje op.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hoed , [lichaam] , hoed , 1.lichaam; 2. hoed; achter de hoed zitten, bidden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hoed , hood , (mannelijk) , heuj , heudje , hoed , Dao doon ich d’n hood vuuer aaf!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hoed , hôge hoed , mè je hôge hoed opzitte, met je beste kleren aan erbij zitten
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
hoed , hoed , heuj , zelfstandig naamwoord , hoej, huuj , Boutkan: 'zuukt is nòr menen oed'; WBD (III.3.2:117) hoed c.q. rust = doel bij het hinkelspel; zie huudje; heuj; hoed; Cees Robben – Ik heb munne heuj op (19671013); hoej; meervoud; hoeden; Zis hoej hòj bèm; Boutkan: hoej (arch.), hoeje; (29) hoej: (54) hoej (arch.) naast hoeje; ...ik wed dè den duuvel nog wel kwaod om die groote hoeien is... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939); Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ;  HOED, HOET, zelfstandig naamwoord mannelijk:, mrv. hoeien en hoeten; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): hoej zelfstandig naamwoord- meerv. van hoed; Mnl.wdb. III:484, r.14 v.o.: 'nog heden is in de volkstaal de vorm hoei bekend'; huuj; Henk van Rijen: hoeden; CiT (78) 'Strooihuui ziede host nootniemir'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hoed , hoed , politieagent; ‘Vooral de hoeden, die in 1864 de bestaande sjako’s hadden vervangen, waren een typisch onderdeel van de politie-uniform. Die hoeden gaven aanleiding tot de scheldnaam hoed, die in de dagen van het De Vletter-oproer (1868) herhaaldelijk heeft weerklonken, doch die overigens nog tot 1940 werd gehoord’
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
hoed , haod , heuj , hudje , hoed
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal