elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoek 

hoek , hok , Hoek.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
hoek , hoek , Alles uit de hoeken halen, voor alles opzoeken, voornamelijk ter bezwaring of beschuldiging van iemand.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hoek , hôk , (mannelijk) , hö̂ke , hoek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hoek , hoek , zie: dob.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoek , houk , hoek; hij ’s de houk om = om de houk, ook: ’n stōk om de houk = hij is een eind met zijn werk gevorderd, heeft de grootste moeilijkheden overwonnen, het slimste achter den rug. Zal aan de scheepvaart ontleend zijn. v. Lennep: den hoek te boven zijn (de zwarigheid overwonnen hebben), omdat hoeken altijd hinderlijk zijn voor wie in-de-wind moet oplaveeren en het rondkomen van een hoek den schipper altijd groote blijdschap geeft. SprWb. art. hoek a Zegswijs: doe magst wel mit baide houken van de mond eten = gij moogt wel haast maken met het eten, gij hebt niet veel tijd. Zie ook: houke, en: hōrn.
houken zijn loaten (hoeken laten zien). Hier en daar meent het volk dat een jood die op Zaterdag sterft, van den eenen hoek van het vertrek in den anderen gegooid wordt, en daarom zegt men: zulk een doode loaten ze de houken (der kamer) zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoek , hoek , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In verkl. hoekie ook wel voor een stukje. || Ik heb nog wel ʼen hoekie vuur voor je test. – Vgl. Kaaphoek, Kathoeken, Klauwershoek, scheerhoek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hoek , boeke , zie hoek * 1.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hoek , hôk , Hoek.’t Wîf mot in den hôk, in de kraam.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hoek  , hook , höök , hukske , hoek.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hoek , houk , mannelijk , höuke, höuker , höukien , hoek
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hoek , hook , zelfstandig naamwoord, mannelijk , heuke , heukn , hoek. Nen hook groond, een stuk grond; de heuke, hoeken van een akker, die ongeploegd blijven
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hoek , houke , TL 347 s.v.: As ’n Jeude op Zoaterdag staarft, lötn ze hom de houkn zain. Volgens het volksgeloof gooit men hem dan namelik van de ene hoek van het vertrek naar de andere. De oorsprong van deze onzin heb ik totnogtoe niet kunnen achterhalen.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
hoek , hoek , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Stuk of perceel land (met een bepaald gewas). | Hai het puur zô’n hoek land. Hai het ’n héle hoek tulpe. 2. Haak, vishaak. Zegswijze dat houdt gien hoek, dat houdt geen stand. De zegswijze is ontleend aan het timmermansvak. Vgl. de Nederlandse zegswijze dat is niet in de haak. – Al pittig om de hoek rake, al aardig opschieten. Mogelijk oorspronkelijk een zeemansuitdrukking waarin hoek de betekenis heeft van ‘havenhoek’. – Die moet nei de hoek om te keren, schertsend gezegd van iemand met een zeer grote schoenmaat. Verkleinvorm hoekie. In sommige dorpen (bv. Andijk) bezigt men de Nederlandse vorm hoekje. Zegswijze vaders hoekie, vaders vaste plaats of vaste stoel bij het raam. – In ’t hoekie zitte, aan tafel bij het raam zitten. Meervoud hoekies, in de zegswijze in de hoekies weune ók mense, aansporing om bij het besmeren of beleggen van boterhammen de hoekjes niet te vergeten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hoek , hoeks , zelfstandig naamwoord de , Dialectische variant van vishaak.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hoek , hoe:k , ’n hoe:k utjzitte, een hoek uitzetten; ’n hoe:k ópzitte, een hoek metselen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hoek , hook , hoek (uitdr.: van hook = afwezig).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
hoek , hukie , hoekje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hoek , hoek , hoeke, houk, houke, hook, hoouk, hoke , de , hoeken , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook hoeke (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe in bet. 4.), houk (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), houke (Veenkoloniën), hook (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), hoouk (Midden-Drenthe), hoke (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. hoek Hij stun een bitken um de houk van het hoes te gloepen (Bco), Hie hef te lang op ’t hoekien staon is verkouden (Coe), ...um ’t hookie staon op de tocht (Bal), Bes zat aaid in de hoek van de heerd plaats naast het vuur (Pdh), Hij is een hoekie umme egaone heeft een eindje rondgelopen (Hgv), maar Hij is de houk omgaon gestorven (Eel), Hij mus veur straf in de hoeke staon (Hol), De wiend zit in de verkeerde hoek gezegd van een windrichting (Hgv), ...weit oet de verkeerde hoouk van iemand die slecht gehumeurd is (Eex), Hij hef hum alle hoeken van ’t café laoten zien hem zeer hardhandig aangepakt (Hgv), Oh komp de wiend uut die hoek zit het zo (Hol), Oet alle hoeken en gatten kwam wat overal vandaan (Pdh), Hij komp altied royaal oet de houk voor de dag (Een), Bij ’t zaodlaan mussen ij hoeken zetten op de wagen (Sle), Aj der goud biekommen wilt mit de rooier meuj eerst de houken krabben (Bov), Dat maegien komp altied zo beleefd um de hook voor de dag (Die), ’t Zunnegien kwaamp zo nou en dan ies èven um de hoek kieken (Hgv), Hij kin maal uut de houk kommen onprettig iets zeggen (Erf), ...raar... (Mep), ... dreug... (Eri), ...mooi oet de hoouk kommen (Gas), Die mak ronde hoeken lat de hoekies ok liggen maakt slecht schoon (Sle), Zie hebt hum in de houk drukt opzij geschoven (Nsch), ...trapt vernederd (Sle), Die maj ok wal even in de hoek zetten op z’n nummer zetten (Sle), Gelokkig det de wereld rond is aanders piste hij ook daor nog ien de hoeken (Ruw), In ’t hookie van de slaegen zitten waar de klappen vallen (Dwi), Het wief moot in de hook kraam (N:be) 2. hoek als deel van iets Wist ok wat hebben dan za’k die der een houke ofsnieden (Erf), vooral gezegd van een stuk grond, perceel Net in die hoeke van het laand is de rogge wat minder (Zdw), Op die hook grond wil hij een hoes zetten (Bal), Dat is een mooie houk tarwe (Bov), Der is een beste hoek grond bij dat huus (Hgv), Dat is gien mudde laand ’t is jo mor ’n hookie (Hijk) 3. vishaak (Zuidwest-Drenthe, zuid) Een vishaoke nume wij een hoeke of hoekie (Hgv) 4. sloothaak (Midden-Drenthe) *Een ongeluk zit in een klein hoekie (Bor); Hoekien snoekien elk in zien hoekien geroepen bij een spel door een kind dat in een hoek van het schoolplein stond. Wie mee wilde spelen, rende de hoek in, maar verschillenden werden onderweg afgetikt en die konden weg. Wie in de hoek was gekomen en niet getikt, kwam opnieuw, tot alle kinderen waren getikt (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoek , hoek , buurtschap.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hoek , oek , ôêk , (Kampen) hoek. Ook: ôêk (Kampereiland, Kamperveen). Een ôêk laand ‘een stuk land’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hoek , ôêke , (Kampen) vishaak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hoek , hoeke , hoek , zelfstandig naamwoord , de; 1. hoek 2. plek, afgelegen/niet zo in het oog vallende plaats 3. streek, plaats elders, windrichting 4. stuk grond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hoek , hoekie , zelfstandig naamwoord , hoekies , klein perceel tuingrond Hij had een hoekie land om voor z’n aaige groentes te verbouwe Hij had een stukje tuingrond om voor zichzelf groente te kweken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hoek , huukskes , hoekjes
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hoek , oek , (zelfstandig naamwoord) , ukien , hoek. Uitdr.: ‘t Ukien ummegaon ‘doodgaan’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hoek , oekske , hoekje , lekker uggele in ’t oekske = lekker bij elkaar zitten in het hoekje bij de kachel-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hoek , huukske , hoekje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hoek , hoek , tegen de hoek van het huus an gelopen wezen, in verwachting zijn.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hoek , [ruimte tussen twee elkaar ontmoetende vlakken] , hook , (mannelijk) , heuk , heukske , hoek , D’n hook ómgaon: doodgaan.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hoek , hoek , huukske , zelfstandig naamwoord , hoek; WBD ègge meej de lichten hoek - bot eggen (eggen op halve kracht; de tanden v.d. eg staan dan tegen de trekrichting in); huukske; hoekje; verkleinwoord van 'hoek', met umlaut; Boutkan: (blz.32) huukske; Cees Robben –In ’n huukske.. meej ’n buukske (19601118) [Naar Thomas a Kempis]; Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: As plöddeke-vèùl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes. WBD hoek, huukske - hoek bij de haard (bestemd voor brandhout e.d.); Kernkamp, Dialectenquete 1879: huukske
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hoek , haok , heuk , hukske , hoek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal