elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knik 

knik , [kleine jongen] , knikke , (mannelijk) , kleine jongen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knik , knik , soort van leemachtigen bodem, die o.a. de eigenschap bezit dat hij het water niet doorlaat; ook Oostfriesch en volgens ten Doornk. waarschijnlijk uit: klik, Middel-Nederduitsch klick = potaarde, leem. Bij van Halsema: knick = harde onnutte aarde. Zie ook: knipklei. Bij H. Kremer bl. 370 vindt men: “Bij Opwierde, enz. is de grond op de wierde ongemeen vruchtbaar; ten noorden bestaat de bovengrond uit goede kleiaarde, doch op een’ voet diepte komt men op knikaarde.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knik  , knik , knikske , knik, beroerling, ook breuk
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
knik , knik , de , knikken , 1. knik Der zit een knik in de waoterslang (Ass), De haver lig met ’n knik met geknikte aren (Sle), Det hef al eerder een knik had en nou is het helemaole ebreuken (Rui), Hie hef ’n knik in de rug van iem. die min of meer achterover loopt (And), Hai het ain beste knik in het veurrad (Vtm), Hij had ’n mooie knik in het oor hij had teveel gedronken (Pdh) 2. laagte, verzakking Der zat een knik in het land (Bco), ...in het padtien (Die), ...in het daok (Sle), Die koe hef aordig knikken op de heurns, dat is al ’n oolde koe (Pdh) 3. bocht Bij die knik in de weg, daor muj wezen (Eli), Die piep past zo niet in de schörstien, der mot even ’n knik in een bocht (Hijk) 4. verzakking As de baande mar half weer komt nao het kalven, dan hef e een knik op de baande (Pdh), Die koe krieg ie niet weer drachtig, die hef een knik op de baand (Geb) 5. breuk(je) Der zit een knik in de schupstok, ai hebt zeker weer under vörstkloeten zitten te boegen (Eev), Der zit een knik in het ei (Dwi) 6. knik met het hoofd Ik zèe hum goeiendag, maar der kun der bij hum nog gien knik of (Ruw), Eein knik van hum en hie zat vaast an het hoes op de verkoping (Eex) 7. knikkend gevoel (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied) Ik heb de knik nog in de kneien, zo bin ik schrokken (Erf), Hij hef te zwaor tild hij hef een knik (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knik , nik , de , nikken , (niet Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = 1. knik Een nik met de kop (Dal) 2. klap ...gaoten in de weg en aj der dan met een rad in komt, dan kriej een nik in de nak (Eex), Wij kregen een nik in de wagen, toen het rad in een knipslag kwaamp (Hol), z. ook knik
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knik , nik , zelfstandig naamwoord , de; knikkende beweging met het hoofd, ter begroeting of instemming
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knik , knik , knikke , zelfstandig naamwoord , de; 1. hoekige bocht 2. knak, gedeeltelijke breuk 3. knakkend, schokkend gevoel 4. kleine barst, klein breukje 5. knikkende beweging met het hoofd, ter begroeting of instemming 6. verzakking in een straat, hoekige verzakking in een dak e.d. 7. in een knik op ’e baand nl. van een koe: toestandwaarbij de band (een bep. spier bij de staart) niet meer omhoog komt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knik , kniek , zelfstandig naamwoord , knieke , kniekie , knak, deuk D’r zit een lilleke kniek immen hoed Er zit een lelijke deuk in mijn hoed
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal