elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knikker 

knikker , knikker , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. alikas, dolk, knar, koen, onkedaai, pol, polleka, pottebaaier.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knikker , knikkĕrtien , spel, 24.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
knikker  , knikker , kop, hoofd.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
knikker , knikkel , mannelijk , knikkels , knikkeltien , knikker. Zie ook: hessel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
knikker , knikl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knikle , kniklken , knikker. Zitt’r knikls in, zit je voor de mast?
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knikker , knikker , m , hoofd Kaole knikker Kaal hoofd.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knikker , knikker , de , knikkers , 1. knikker Een knikker zat eerder in een limonadeflessien (Bov), Die man is zo kaol as ’n knikker heeft een kaal hoofd (Vtm), Wel wet hou de knikker rolt hoe het afloopt (Nor) (fig.), Der is wat an de knikker aan de hand, loos (Dwi), Pas op jonges, der is voeligheid an de knikker (Ruw), Der blef heel wat an de knikker hangen aan de strijkstok (Mep) 2. hoofd Je ziet hum met zien kaole knikker drekt zitten (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knikker , knikker , knikker
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knikker , knikker , hoofd , Ut kan gebéúre dég'ge meej'jew'we knikker èrreges vernaakend hard teegenôn lóópt. Het kan gebeuren dat je met je hoofd ergens ontzettend hard tegenaan loopt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
knikker , knikker , hoofd , Kônnes, knikker of tiest t’is ammel krék 't zélfde, um nog mér nie te praote van kop. Kanis, knikker of tiest het is één pot nat, om nog maar niet te praten van hoofd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
knikker , knikker , zelfstandig naamwoord , de; 1. knikker 2. hoofd, met name in een kaele knikker een kaal hoofd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knikker , groewete knikker , stuiter
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
knikker , knikker , zelfstandig naamwoord , knikker; figuurlijk: hoofd; Cees Robben – Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. Daorvandaon hek naa zonne proem op munne knikker... (19720915)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal