elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knoedelen

knoedelen , knoedêln , knötteln, knottêln , fommelen, frommelen, onordelijk samenvouwen, samendrukken. Oostfriesch knudeln, knüllen, knullen. Hoogduitsch knüllen, knillen, knittern. Weil.: knuidelen, knoedelen, iets in kronkelige of wanstaltige vouwen maken, is in Groningen in gebruik. Drentsch knötterg = gekreukt, verfrommeld. Zie: knoedel, knul, knuren, knütern en knöt, alsmede v. Dale art. knitteren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knoedelen , knoeddele , futselen, ook knoeien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
knoedelen , knoedele , werkwoord , Onhandig te werk gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal