elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koe

koe , koeuw , koe. Meerv. koei.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
koe , koei , in het meervoud wordt gezegd koeijes.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
koe , koe , ko, koenen , (meerv.: koenen, koën) = koe, Gron. kou, meerv. kouien, kojn. Sprw. Dee de koe heurt krig hōm bij de steert of bij ’t hoorn = die ’t meeste belang bij de zaak heeft, trekt ze zich aan. Gron. Dei de kou heurt, pakt hōm (of: krigt hōm) bie de horens. – Dee pleit om ’n Ko, Geft er lever een too, Gron. Dei plait om ’n kou, Geft lijver ijn tou = Een mager vergelijk is beter dan een vet proces. Zie ook: hond.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
koë , [lokroep] , koä , woord waarmede men paarden roept.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
koe , , (vrouwelijk) , kôë, kône , koe.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
koe , kou , koe, meervoud kouien; koien (Westerkwartier); kōjen (Marne); kuien (Stad-Groningsch); verkleinwoord: kouke; koike; kouchien; kuike; kuichien. De uitdrukking: ’t is altemoal kou (met den nadruk op het woord) zooveel als: naar de kenteekenen te oordeelen bezit die koe alle eigenschappen van eene beste melkkoe; dat moet eene volmaakte koe zijn of worden. Vergelijking: rood as ’n kou, van kleeren, zooveel als: vuurrood; dōm as ’t achterèn van ’n kou = aartsdom. Spreekwoord: Dei plait om ’n kou Geef lijver ijn tou = Een mager vergelijk is beter dan een vet proces. Oostfriesch Froger hêt ’t: pleit nig um ’n kô, gif lêfer ên to, man nu hêt ’t: pleit nêt um ’n kô, gif lêfer twê to. – ’t Is gijn kou bie over hals = de zaak is niet zoo erg, ’t verlies, of: de ramp is gering, ’t zal weinig hinderen. – De kou is vergeten dat ’e kalf west het (het is de koe vergeten dat zij kalf geweest is) = bejaarde menschen (en vooral worden ouders bedoeld) bedenken niet genoeg dat zij ook eens jong zijn geweest en miskennen maar al te dikwijks de eischen der jeugd; ook Holsteinsch. MeursGijn vrou zoo riek of zij is kou’s geliek; ook Oostfriesch. – Dei de kou heurt, krigt (of: gript) hōm bie de horens = die belang bij de zaak heeft moet zich er mee bemoeien. Drentsch Dee de koe heurt krig hom bij de steert of bij ’t hoorn = die het meeste belang bij de zaak heeft, trekt ze zich aan. – Wat helpt as kou ’n emmer vol melk geft en (hij) smit’ mit hakken weerom, zooveel als: wordt er al veel verdiend maar het geld verbrast (als weggegooid), dan blijven de menschen toch arm; Oostfriesch Wat help ’t, wen de ko ’n emmer ful melk gift en smit hum wër um. Zie ook: snip-snap-snōrren.
Hollandse kouien (koien, of: kuien). Zoo noemt men in de Ommelanden de melkkoeien die des voorjaars, na gekalfd te hebben, hier worden opgekocht en in Holland, meest te Leiden, aan de markt worden gebracht. Gewoonlijk zijn het de beste van onzen veestapel. Dat opkopen geschiedt in den regel eenige weken vóór Mei, den tijd der aflevering.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koe , koe , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie koebek, koegank, koegors, koehooi, koejaden, koelicht, koemak, koemis, koepost, koeschaar, koestoep, koeven, Koeweide, en vgl. kui.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
koe , kou* , zie ook hollandse *; de uitspraak luidt juist zoo als ’t Engelsche cow; meervoud koien, ook kouien.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
koe , koe , , koeke , koe.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
koe , kou , vrouwelijk , koune (later: beiste) , köuchien , koe. A-i recht um ne kou, giiev-i der einen tou
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
koe , koo , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , beeste , beesjen , koe. De koo weet neet dat e kalf ewes hef, die vergeet dat hij zelf ook jong geweest is; net t ne koo oet t gat vaalt, erg rad, van praten; ne koo met n paeregat, van achter brede koe; wee’t de koo huert, krig ne biej n stat, k
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
koe , koei , v, mv , koe, koeien. De koei stùt/staon op stal De koe/koeien stann op de stal.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
koe , koe , zelfstandig naamwoord de , Koe, in de zegswijze ’n koe om de melk hewwe, tijdelijk een koe hebben waarvan de melk bestemd is voor eigen consumptie. – ’n Koe hooi, de hoeveelheid hooi die een koe tijdens de staltijd nodig heeft (5000 oude ponden). – ‘Da’s moin koe’, zee Brandjes, gezegd bij het kaartspel als iemand een slag haalt of een ander aftroeft, – ’n Koe mit skeiperibbe, 1. Koe die zwaarder toont dan ze is. 2. Grote, forse vrouw met een tenger bovenlijf. – D’r net zôveul van wete as ’n koe van zundeg, er niets van weten – Wat weet ’n koe van zundeg!, hoe moet een leek dat nu weten. Deze en de vorige zegswijze duiden erop, dat het voor een koe geen verschil uitmaakt of het een dag door de week of zondag is, daar ze iedere dag gemolken wordt. – ’n Koe mit ’n lang loif, een langdradig verhaal. Lijf duidt hier op de baarmoeder en op de omstandigheid dat het kalven een lange tijd duurt. – De ien mag ’n koe stêle, de aâr mag geniensen over ’t hek koike (’t touw vasthouwe), de een mag alles, de ander niets. Meervoud koeie, in de zegswijze onder de koeie moete, moeten (leren) melken, boer moeten worden. – Veul koeie, veul moeien, een groot bedrijf brengt veel werk en zorgen mee. – As alle koeie op dezelfde zaai lègge, moet er ien staan, iemand moet de minste zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
koe , koe: , koe; gesloote koe:, koe die harmonisch van bouw is, guste koe:, koe die meermalen gekalfd heeft maar daarna niet meer drachtig wordt; vètte koe:, koe die niet meer geschikt is voor de melkproduktie en daarom voor de slacht gemest word
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
koe , koej , zelfstandig naamwoord , koe. ’ne Koejeschit is ’n koeievla. Zegswijze: ’n Flùitende meijd en ’n loejende koej zèn zèlde goej. ’n Koej van ’ne vènt is een lomp manspersoon.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
koe , koei , zelfstandig naamwoord , koe (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha;LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Voor de i aan het eind van het woord: zie hoofdstuk 2, punt C.1. In de uitdrukking hij mag een hele koei stelen en ik mag nog niet over het hek kijken : wat de ene mag, hoeft de ander nog niet toegestaan te zijn (quod licet Iovi non licet bovi) (KRS: Werk)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
koe , koe , tussenwerpsel , (Zuidwest-Drenthe, zuid), in koe koe koe koe = lokroep voor een duif, z. ook koer
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koe , koj , ko, koje, kon, kui, kooj , tussenwerpsel , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook ko (Zuidoost-Drents zandgebied), koje (Zuidwest-Drenthe, zuid), kon (Kop van Drenthe), kui (Zuidwest-Drenthe, zuid), kooj (Zuidwest-Drenthe, zuid) = lok-roep voor koeien, z. ook kwan, kojong
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koe , koe , kouwe, koou, ko, kou , de , koenen, koene, koeien, kojjen (Kop van Drenthe), k , Ook kouwe (Zuidoost-Drents veengebied), koou (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), ko (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), kou (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. koe Ik wil even met de koou hen de bolle (Wap), Aj een koe koopt, moej hierop verdacht weden: ij moet kieken naor een körte kop en een briede bek; zukke koenen kunt gauw vreten (Sle), Hij pakt de kou bai de horens pakte de zaak aan (Row), Gien aolde koenen oet de sloot halen oude zaken oprakelen (Bui), Kou hef ’n haze vangen gezegd als een sufferd iets heeft uitgevonden of iets heeft bedacht (Bco), Het waren kounen van letters zeer grote letters (Gie), Hij slacht de koe met de golden heurns de kip met de gouden eieren (Pdh), Ie wit mor nooit hoe ’n ko ’n haas vangt (Hijk), Wat ’n koe van ’n kèrel, die kuj niks in het verstand kriegen wat een sufferd (Sle), Hij is zo dom as ’n kou (Row), ...as het achterèende van ’n kou (Ros), Der zit wèer teveul van de zwarte ko in er zit teveel water uit de zwarte ketel in een pan met pap of melk (Hijk), De kou met ein tet waterketel (N:Rod) 2. stuk veen, dat uit de veenwand zakt (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Daor valt ok een koe onderuut (Geb), Daor zit ’n beste kou in de putte een afgezakt stuk veen in een veenput (Bco) *Wel plait om een kou, gef laiver ain tou pleiten is duur (Pei); As olde kaaie birst dan rammelt heur de kleunen gezegd als een oud persoon iets wil, waar hij te oud voor is (Bco); Kinder die zunder koe groot worden bint smeert de botter op ’n diksten (Sle); Koenen hoopt ok dikke bulten (Rol); Der is gien koe zo bont of der zit wel een vlekkie an (Flu); Een kreunende koe krig nog wel ies wat als je maar klaagt, dan krijg je wel wat (Hol), Van aachter kiek ie de koe in het gat achteraf praten is gemakkelijk (Dwi); Een koe verget wel ies det het ook een kalf ewest ies (Ruw); Je moeten je waoren veur het veurende van ’n kou, veur het aachterende van ’n peerd en veur het middenste van ’n jonge maaid (Row); Zunde dat de Koekanger koenen ien het water schijt, want de boeren bint de mes zo neudig (Ruw); As een koe in het waoter schijt. Is de stront vort en het waoter voel als antwoord als iem. alsmaar as... zegt (And); Dee de koe heurt, krig hom bij de steert bij het hoorn wie het meeste belang heeft bij een zaak, trekt ze zich aan (dva); De koenen vrèet mit vief bekken als het zo nat is dat koeien meer vertrappen dan ze opvreten (Hol); Daor heb ie een daalder / Gaot naor de mark / Koopt een koe / Kalfie toe / Koe in nood / Kalfie dood / Mien geld, mien geld of kiele, kiele spel met kind (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koe , ków , koe. mv. koei. verkl. kuuske, kèlfke.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
koe , koe , kôê , kôênen, koenen, kôêien , koegien , (meervoud kôênen (Kamperveen) / koenen (Kampen, Kampereiland) / kôêien (Ka)), koe. Gien kôêien, gien moeien ‘heb je geen zaken, dan heb je geen zorgen’, D’r bin meer koenen die Blaor îêten ‘je bent niet de enige (die iet
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koe , kôê , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie koe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koe , koe , koene , koe. Die ’n koppel koene op stal hef staon, die is goed of.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
koe , koej , koe , Ik vuulde me krék és 'n koej die getûird stón óp de kaoje. Ik voelde me precies als een koe die op de tuier stond op de stenen. Zich helemaal niet thuis voelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
koe , koe , tussenwerpsel , lokroep voor een duif
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
koe , koe , zelfstandig naamwoord , de 1. koebeest, meestal: vrouwelijke koe die gekalfd heeft 2. sufferd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
koe , kôw , kuus , koej , koe
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
koe , koe-j , koe-j , koe en/of koeien
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
koe , koei , koeie , koeikes , koe , n’n boer die mûllukt z’n koeie = een boer melkt zijn koeien-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
koe , koew , koej , koe , Óns koew, Bèrta zeuve, hi gekalfd. Onze koe, Berta zeven, heeft gekalfd.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
koe , koei , koe, koeien
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
koe , koei , zelfstandig naamwoord , koe (Helmond en Peelland) ; koeien; meervoud; koeien (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
koe , koe , (vrouwelijk) , kuuj , kuke , koe , Ein botte koe. Koelómp. Zoea lómp wie ein koe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
koe , koej , zelfstandig naamwoord , "koe; meervoud: koej, koeje; De meervoudsuitgang blijft vaak onuitgesprokenPierre van Beek – Vastberadenheid spreekt er uit: ""Ik doe 't al liepen de koeien in de kool."" In zo'n geval gaat de zaak absoluut door en is niets in staat het genomen besluit te veranderen. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 23 mei 1950); KOEJ Pierre van Beek – Waar de Latinisten met hun ""Quod licet Jovi, non licet bovi"" (Wat Jupiter mag doen, is een os niet geoorloofd) komen aandragen, zeggen onze mensen: ""De ene maag een koe stelen en de aander nog nie op stal kijken!"" (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950); Dhr. Bertens – “En as naa dieje man, dieje… dieje kommies die koej takseerde èn der stond en briefke zak zègge meej de prèès op dèttie zeej, nouw die e… die houw ik, dè kos ôok èn dan hadde niks te zègge, dan koste gij wir gewoon en aander koej vur kôope èn dan koste gij wir òn de gang gaon…” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels Audioregistratie 1978 – “Asse daor en koej nie verkòcht hòn dan ginge ze nòr de Bosse mèrt, die Tilburgse boere… (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels); WBD koej - koeien; – De koej stòn in de waajWBD kalfkoej - koe die kalven moet, ook kalfvèèrs genoemd; WBD jónge koej, aftaandse koej - koe die meermalen gekalfd heeft; WBD vleinamen v.d. koe: koej, kouke, koejke; et koejke, óns koejke; WBD roepnamen v.d. koe: koej, koes, kuus; Henk van Rijen en blauw koej - hiervan is sprake als de melk te opvallend is aangelengd met water; Dialectenquête 1876 - koei – koeien; Biks koej zn - koe; Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ;  de rôome spöt öt den èùjer van de koej; Goem. KOE - kuj, znw.vrAntw. KO?I znw.v., mrv.'koei' ko?i; WvM 'De k ziede by 't kallef en ok by de koe'; WBD III.1.4:36 'koe' = ezelachtig persoon; Stadsnieuws:  mèlk van de blaaw koej - waarbij te veel water gegoten is (030506); Gezegden; MP De biste koej stòn óp stal... De mökskes vènde ooveral. (m = kalfjes); MP Flèùtende mèskes èn brullende koej zèn zèlde goejMP Hij heeter nèt zóveul verstaand aaf as en koej van saffraon eeteMP Kösters koej maag ópt kèrkhòf waajePierre van Beek –  Hij zit eróp te wòchten as nen hónd óp en zieke koej. (Tilburgse Taaklplastiek 136); Pierre van Beek –  Dan wordt et kalf grótter as de koej. = de kosten wegen niet op tegen het resultaat (Tilburgse Taaklplastiek 143); Van Beek - ""De leste koe maakt het hek toe"". (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959) ; Van Beek - Fluitende vrouwen en brullende koeien zijn zelden goei, zegt men tot of over meisjes, die fluiten. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959); Van Beek - Men gaf door: ""De beste koeien worden op stal verkocht"" in de betekenis van: de degelijkste meisjes vinden haar man niet op straat of in de balzaal. Als pendant kwam hierop: ""'t Is goed, als ge de schoorsteen kunt zien roken."" 't Werd een jongeman toegevoegd, die een meisje uit eigen dorp (of streek) gekozen had. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  As ónze kat en koei was, dan kónde gij ze mélke (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1964) – reactie op herhaalde bezwaren (ja maar, als ...); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  daor gaoget heene, zi den boer, èn zen öske dè bisde (Nicolaas Daamen - handschrift 1916) - Men is geneigd elkander na te lopenMandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  'wie de koej trouwt, heej et kalf ôok' zi den boer, èn dè sloeg óp en gedwóngen huuwelek ('70); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  kösters koej maag ópt kèrkhòf waaje ('50) die heeft een streepje voor."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
koe , koe , kuuj , koe~ke , koe
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal