elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koek 

koek , kok , kokken , Koek.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
koek , kôke , (vrouwelijk) , koek.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
koek , kôke , (mannelijk) , koek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
koek , kouk , kouke , koek. – ’k heb d’r kouk (ook: toart) van had = ’k heb de nadeelige gevolgen er van ondervonden, ’t heeft mij leergeld gekost. Vgl. kool, en: taart, bij v. Dale.
Gröneger kouk, koek die in de stad Groningen gebakken wordt. Daarbij dient gevoegd dat zij nog altijd haren ouden roem handhaaft en het platteland er de vlag voor moet strijken. Wat den vorm betreft wordt de gewone koek altijd in lange strepen verkocht, de dubbeltjeskouken zonder sucade; de dreistuverskouken, grooter dan de vorige en van buiten met sucade, en eindelijk de vijrstuverskouken, nog weer grooter, ruim van sucade, enz. voorzien. Zie ook: endelkouk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koek , koek , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Verkl. koekie. Zie de wdbb. – Dikke koek, zeker gebak: meel, melk en stroop in een zak gekookt; zie ketelkoek en broeder. In het Stad-Fri. in dezelfde zin dikkoek. – Zegsw. ’t Is koekies hakken, het heeft niet te beduiden, ’t gaat even gemakkelijk als het hakken van koek. – Zie een zegsw. op gaan en op rood, en vgl. kantkoek en slaankoek. – Vgl. de samenst. donderkoek, dripkoek, haardkoek, ketelkoek, kopjeskoek, naslagskoek, pankoek, schrapelkoekje, snijkoek, spekkoek, tafelkoek, voorslagskoek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
koek , kouk* , vgl. kool *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
koek , kookĕ , koek.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
koek  , kook , keuk , kukske , koek.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
koek , kouke , vrouwelijk , koek. Grönniger kouke
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
koek , kouken , mannelijk, enkelvoud en meervoud , köukien , koek, koekje. zie ook: möppien
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
koek , kookn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , koek. Nen klookn kookn, een mooie sufferd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
koek , koek , m , koek; van een ander kaliber Dè waar nog ’s àndere koek Dat was van een ander kaliber.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
koek , kouke , Grunneger kouke, die ook kosjer kon worden gesavoereerd. In Stad door joodse en niet-joodse bakkers onder rabbinaal toezicht vervaardigd. Over heel Nederland verspreid. Ik citeer een advertentie uit het NIW van 15-11-1896, waarin wordt bekend gemaakt, dat E. Faber (een niet-joodse koekfabrikant) zich heeft gesteld onder rabbinaal toezicht …..“en levert dus Groninger koek, die door de Israëlieten gerustelijk mag genuttigd worden. Van die gelegenheid zal zeker gretig gebruik worden gemaakt, nu de koek niet alleen streng koosjer, maar ook zeer lekker is, werkelijk een genot voor het oog en heerlijk om te eten.” Met een reminiscentie aan het bijbelse paradijs (Genesis 2:9).
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
koek , koek , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze koek en aai weze, zeer bevriend zijn. | ’t Is mit die twei koek en aai. Verkleinvorm koekie, in de zegswijze ’n koekie voor je broekie, reactie op de vraag van een kind of het (nog) een koekje mag hebben. – ’t Zel puur zô’n koekie bakke, het zal hard vriezen (zodat er een dikke ijskoek ontstaat).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
koek , koek , kouke, koeke, koke, koouk, kook, kouk , de , koeken , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Ook kouke (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), koeke (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), koke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), koouk (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), kook (Midden-Drenthe), kouk (Kop van Drenthe) = 1. koek Wisse ’n stukkien koeke bij de koffie? (Pdh), De koeke is op (Klv), Hij was zo goud as kouk slaperig (Row), Eerder kregen de kounen kouken veekoeken (Bov), Grune koeken wuurden vroeger veul an jongvee voerd (Scho), ...an koenen die op stal stunden (Geb), ...an de schaopen raapkoek (Zdw), Doe de greune koke èven in het waeter (Die), Witte koek grondnotenkoek, gebruikt tot plm. 1954 (Sle), Vroouger haj stoterse koouken (And), ...dubbeltiese koeken (Sle), Hij lat hom niet eten as kouk hij is niet zo gemakkelijk om mee om te gaan (Row) 2. dikke harde laag Der zit ’n koeke boven op de mest (Dwi), zie ook bij koekien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koek , koek , koek, pannenkoek. verkl. kuukske.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
koek , koeke , kôêke , koek. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kôêke
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koek , koeke , koek.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
koek , koeke , zelfstandig naamwoord , de; 1. koek 2. veekoek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
koek , koeke , (zelfstandig naamwoord) , kukien , koek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
koek , kook , (mannelijk) , keuk , keukske , koek , Emes ei keukske van eige deig gaeve. Krieg dich ei lekker stök kook bie de koffie. Neet van kook toet broead kómme: niet opschieten.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
koek , koek , zelfstandig naamwoord , kuukske , "koek; H. van Rijen (1988): koek, bierviltje; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  van koek zèèn (Daamen - Handschrift 1916) - raak zijn, in orde zijn; zwak zijn; Daamen - Handschrift 1916:  ""koek - hij is van koek - het is raak, het is in orde""; Cees Robben: 'aaltij gin koek en aai'; In de kuukskestrommel zaat genoeg om iederêen iets te geeve. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); koeke; verhaspeling; 'van gin koeke gin blaoze weete' - van toeten noch blazen weten; Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “Wènne praot dèsse ötslòn! Die zèn veul wèèzer as wij vruuger waare! Ik weet wèl dè toen ik ònt vrije ging dèk van gin koeke gin blaoze (…) wies hor!”  (transcriptie Hans Hessels 2014); kuukske; verkleind zelfstandig naamwoord uit koek, met umlaut; koekje; ...en op 't list pudding mee kuukskes erin... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30); Heerkens - Toen ze nog vreejen, oo, hoe fijn!/ Roozengeur en maoneschijn, bioscoop en zuute kuukskes,/ zuute mundjes in stille huukskes (Piet Heerkens; uit De knaorrie, ‘Liefde?’, 1949); Lechim - Ge krèègt dan koffie meej en kuukske... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Verjòrdaoge‘); Cees Robben – In d’r huukske meej ’n kuukske... (19601118); Henk van Rijen - die kuukskes kande nie knaawe, die koekjes kun je niet bijten; Bosch kuukske - koekje; Elie van Schilt - dan begon de vasten, vur ons kender 40 daogen nie snoepen, al de kuukskes en snuupkes die ge kreegt gingen allemal in ut vasten-trommeltje. (Uit: ‘As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000); Piet van Beers – ‘Traditie’: Toen kreege ze 'n haandvol snuupke's/ öt de kuukskestrommel op de trap. (Spoeje doemmeniemer; 2009)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
koek , kaok , keuk , kukske , koek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal