elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: muts 

muts , muts , (vrouwelijk) , "hoofddeksel van mannen en vrouwen. Men zegt praat -, babbel -, kebbel – enz.; lulmuts voor babbelaar, babbelaarster. De goede, de kwade muts op hebbe
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
muts , muts , in: doar heb ik ’n swoare muts over = daarover maak ik mij zeer bezorgd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
muts , muts , mus , (mus) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , In verkl. mussie. Zie de wdbb. – Zegsw. Die slaapt ook niet in de mus, hij is slim. – Vgl. de samenst. dikmuts, klapmuts.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
muts , mussĕ , muts; hooge mussĕ, hooge hoed.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
muts  , muts , Et neet eederein nao de muts kunne make, niet iedereen naar den zin kunnen maken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
muts , musse , vrouwelijk , muts. Wat in de musse hebben: iets van plan zijn. Hei hef de musse scheif staon: hij is slecht gemutst. Der is gein smieten met de musse nao: het is niet te doen, er is geen mogelijkheid op.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
muts , musse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , musn , musken , muts. Tuulne musse, Zondagse knipmuts; dichte musse, muts voor rouw over naaste familie; holle musse, muts voor rouw over verdere familie; nachmusse, knipmuts, voor werk in huis; uendrmusse, zwarte muts onder de kanten m
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
muts , muts , zwarte muts muts voor ongehuwde meisjes, versierd met zwarte linten en zwarte kralen; muts! scheldwoord voor een (domme) vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
muts , mus , muts
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
muts , mus , zelfstandig naamwoord de , Muts. Verkleinvorm: mussie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
muts , musse , mutse , muts.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
muts , musse , mussie , muts; * den hef de musse verkeerd stoan: die is slecht gehumeurd; ie hebt ’t hoge in de musse: je bent verwaand; wie de dikste kop hef, krig de grootste musse: brutalen hebben de halve wereld.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
muts , mussie , het , mussies , (Midden-Drenthe) = boog aan de streep bij het centengooien De centen die terecht komt in dat mussie, op de meet of aachter de meet, wordt in het mussie legd (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
muts , mus , musse, mutse, muske , de , mussen , Ook musse (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), mutse (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), muske (Bco in bet. 5. en 6. naast mutse) = 1. muts, hoofddeksel As het kold is, trek ie de musse mor over de oren (Vle), Vrogger hadden wij roege mussen jongensmutsen met kleppen (Sle), Ik geef joe dommit een witte musse met zeuven baandties tegen iemand die zeurt (Klv), Hij hef de verkeerde mus op is slecht gehumeurd (Emm), zo ook Hij hef de mus verkeerd op (Val), ...schief op (Sle), Hai het een kwaoie mus op is boos (Rod), Ik geleuf dat hie nog wel wat in de mus hef in de zin heeft (And), Hij hef heel wat in de musse weet veel (Hol), Daor is gien smiete mit de musse naor dat is niet voor elkaar te krijgen (Die), Ie kunt er bij dat wark niet met de musse naor gooien met de pet (Bei), Hij hef er een zwaore mus in heeft er een zwaar hoofd in (Nor), Hij hef het hoge in de musse heeft veel verbeelding (Mep), Den hef flink wat in de mus veel te vertellen (Pdh), Aj de musse der niet naor staon hebt, dan maj wel vrij als je geen zin hebt (Wsv), Der gien hoge musse van op hebben geen hoge pet (Zdw) 2. vrouwenmuts, behorend bij klederdracht (niet Veenkoloniën) Mussen drèugen ze hier in hiel wat soorten, deurdat het volk, dat hier woonde, van zoveul kaanten hier naor toe etrökken is (Hgv). In Sleen kent men de volgende soorten mutsen De zwarte mus muts tussen ondermuts en oorijzer, gemaakt van zijde, ook: rouwmuts (Hgv); de slichte mus muts over het oorijzer bij rouw, met zwarte knoopjes aan de stiften, hiervoor ook dichte mus (Hoh); de tulen mus bij lichte rouw de kanten mus bij alle overige gelegenheden; de witte mus elke witte muts, kan ondermuts zijn en de gebloemde of slichte mus. Verder komt nog voor de Zwolse musse (Zuidwest-Drenthe, zuid) en de gehaokte musse daagse muts (Zuidwest-Drenthe, zuid) 3. koplaag van een korenmijt (niet Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) De mus is van de zaodbult ofwaaid (Zey), De bult is klaor, maor de mus mot er nog op (Emm) 4. netmaag De mus was dat geroete stukkie, daor kwam rolvleis in (Exl) 5. dop voor de as van het wiel (Zuidoost-Drents veengebied) Most nich vergeten de muske veur het rad te doun (Bco) 6. trip van stro voor het paard tegen wegzakken (Zuidoost-Drents veengebied) Stroschounen veur een peerd waren mussen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
muts , musse , 1. muts. Met de musse d’r nao smieten ‘er met de pet naar gooien’; 2. zie muske
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
muts , musse , muts , zelfstandig naamwoord , de 1. muts 2. top die men aanbrengt op een hooibult, top van een korenmijt 3. netmaag, muts
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
muts , mus , must , zelfstandig naamwoord , musse, muste , mussie , (krullen)muts, keuvel Deurdeweeks droog ze een ketoene haokmus en sondes een kante krullemus Doordeweeks droeg zij een katoenen gehaakte muts en ‘s zondags een kanten krullenmuts Ook must Zie ook kap; must (krullen)muts ’n Toeje must Een dichte krullenmuts Zie mus Zie ook karrekas
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
muts , mussie , zelfstandig naamwoord , mussies , kroontje, dop van kelkbladeren van de aardbei We krege 6 cente voor ‘t plokke van een tipsie errebeeze, maor voor ‘t plokke zonder mussie 7 cente We kregen 6 cent voor het plukken van een gevlochten mandje aardbeien, maar voor het plukken van een gevlochten mandje met aardbeien zonder kroontje 7 cent
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
muts , musse , (zelfstandig naamwoord) , muts.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
muts , möts ,  mötse ,  mötske , 1. muts 2. naïef persoon , Ein möts opdoon es ’t kaod is.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
muts , muts , zelfstandig naamwoord , muts; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  vur iemand de muts nie oover de ooren hoeve te trèkke (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1970) - de ander vrij in de ogen kunnen kijken; niets te verbergen hebben; Bijnamenboek Karel de Beer - ene Muts = lid v.d. familie Mutsaer(t)s (blz. 93)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal