elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nabuurschap

nabuurschap , [verstandhouding tussen buren] , naoberschap , de inwoners tot eene buurt behoorende; Gron. noaberschōp. Zie: naober.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
nabuurschap , noaberschop , naberschip , zie: noaber.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nabuurschap , naoberschap , buurt.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
nabuurschap , naoberschop , vrouwelijk , buurschap (niet buurtschap)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nabuurschap , naobrskop , zelfstandig naamwoord , 1 buurtschap, 2 geburen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nabuurschap , naoberschap , het, de , (veroud.) = nabuurschap. Het aantal buren kon variëren van twee tot zes aan weerskanten. Bij de naoberschup hèurden niet de femilie - dat kun gaon tot neef en nicht - en de meier van de hèerschup (Sle), Wij bint mit de naoberschop bij menaar ewest (Flu), Het naoberschop luip vrouger veurop bai een begraffenis (Row), Goude naoberschap holden als goede buren leven (Nsch), Wij kriegt gauw neie buren, zie hebt oes het naoberschup al anzegd (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nabuurschap , noberschap , nabuurschap, de bùùrt. Bij ieder huis hoort een bepaalde kring huizen, die wel willekeurig getrokken, maar toch onveranderlijk is. Al wat binnen die kring woont, hoort tot de noberschap.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
nabuurschap , naoberschop , zelfstandig naamwoord , de; nabuurschap: de betrekking tussen de buren, o.m. tot uitdrukking komend in de burenplicht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nabuurschap , nôbuurschap , nabuurschap
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
nabuurschap , naoberskop , (zelfstandig naamwoord) , nabuurschap.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nabuurschap , nôbuurschap , nabuurschap
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
nabuurschap , naobersjap , (vrouwelijk) , nabuurschap, buren , Es t’r emes doead waas, waerdje de naobersjap aangezag(d): als er iemand in de omgeving gestorven was, werd de buurt verwittigd.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal