elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: natuur 

natuur , noatuur , in: da’s goud veur de noatuur! = dat doet het hart goed! Zie ook: te boate. – Ook = het zaad van menschen en dieren. West-Vlaamsch natuur, nateure = teelvocht. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
natuur , noatuur , zie te *; da’s goud veur de noatuur! = dat doet het hart goed.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
natuur  , neteur , natuur.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
natuur , netuur , neture, nature , 1. natuur; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: aard. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: neture, Gunninks woordenlijst van 1908: nature
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
natuur , neture , natuur, aard. Daor zit ’n verkeerde neture in dat kiend.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
natuur , netuur , neture , zelfstandig naamwoord , de 1. hei, bos enz.: de delen van het landschap die men als ongerept beschouwt 2. aard, karakter 3. de fysische natuur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
natuur , netuur , (zelfstandig naamwoord) , natuur.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
natuur , neteur , natuur
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal