elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nering 

nering , nèringe , (vrouwelijk) , nering.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
nering , nèring , (vrouwelijk) , nering.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nering , nerên , zeemanswoord, voor: tegenstroom, zoodat er eene soort van draaikolk of maalstroom ontstaat; v. Dale: neer, meervoud neren (verouderd) = draaikolk, tegenstroom. Oostfriesch nêr, nër, plaats op de Wadden waar het water der afstroomende Elbe en de vloed der zee elkander ontmoeten, zoodat eene tegenstrooming ontstaat. Vgl. het Hoogduitsch Niederung, laag land, de Frische en Kurische Nehrung, de zandige landtongen voor die Haff’s, alsook het Nederlandsch neder. Eigenlijk zal het zooveel zijn als: iets dat zich naar de laagte heeft bewogen en daar wordt gestuit. In dit geval moet er eene warreling in het water ontstaan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nering , nerên , nering; veul neren hebben, bij v. Dale: goede nering hebben; in de neren zitten = nerendounde wezen = van de dagelijkschen verkoop van winkelwaren moeten leven. In geschrifte: neringdoenden = nerendoende mensen. nering; zij zitten ien neren = zij hebben een winkel, zij moeten van de winkelnering leven. Zie ook en 6.
gedwōngen neren (= nering) = eene nering omdat de menschen daar moeten koopen, daar zij nergens anders terecht kunnen. Wordt ook van herbergen gezegd, inzonderheid van de vroegere gemeentehuizen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nering , nering , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Vertier. Zie de wdbb. – Ook in ruimere zin. || Wat is daar een nering (drukke aanloop, vertier; van een huis, waar velen in- en uitlopen, b.v. bij een receptie of feest). – Ook drukte, rommel. || Hè, wat is er ’en nering in je kamer (als alles door elkaar en van zijn plaats staat).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nering , neering , hij zet dĕ teering nao dĕ neering en dĕ mond naar dĕ brokken, hij leeft op grooten voet.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
nering  , naering , nering.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
nering , niäärige , vrouwelijk , nering. De tiäärige nao de niäärige zetten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nering , nering , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze nering is noidig, in het zakenleven heerst ten gevolge van de concurrentie veel afgunst.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nering , nirring , inrichting voor de uitoefening van een bepaalde tak van industrie en handel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
nering , nering , nèring , de , Ook nèring (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. bedrijf, broodwinning Hij is een nering begund ien de neie buurte (Wsv), Der zit veur hum een goeie nering in (Klv), Völ kooplu doet de nering an de kant (Scho), De tering naor de nering zetten (Noo), ...en de mond naor de brokken (Hgv) 2. handel Hij hef een drokke nering (Hgv), Der lig wel nering op dat winkeltie (Eel) *Waor volk is, is nering (Gas); Een handvol nèring is bèter as een schuppe vol wark (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nering , nirring , handel, kostwinning.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
nering , nerige , nering. Een drukke nerige ‘drukte’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nering , nerring , 1. handel; 2. kostwinning
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
nering , nirring , nering , De tirring no de nirring zétte. De tering naar de nering zetten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
nering , neering , zelfstandig naamwoord , nering; Mandos, Brabantse Spreekwoorden: neering is gin èèrve (Kn'50): alleen een zaak of winkel brengt de klandizie niet aan; wat de eigenaar doet, is ook belangrijk
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal