elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nevens 

nevens , neffe , neffen , naast, nevens. Er glad of geheel neffen zijn, beteekent zich ten eenenmale bedriegen, het spoor bijster wezen. De spreekwoorden er glad of gelijk neff
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
nevens , nevens , (voorzetsel) , vgl. geneven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nevens , geneven , (gǝnévǝ) , (voorzetsel) , Daarnaast soms genevens. – Vgl. Ned. nevens. – 1) Naast, vlak naast. || Ze wonen geneven me. Zet ’et maar in de kas geneven de botertijntjes. Je moete hier geneven wezen. Item geneevens de straat aan de buyte kanten van de Muuren yder (te leggen) een Deckstuck breed 2 voet en lang 22 voet, Bestek Koogersluis (a° 1728), archief v. Zaandijk. 2) Vlak tegenover. In deze zin te Jisp gebruikelijk. In de Wormer zegt men dan geneven over. || Mijn zuster woont geneven me. We bennen der juist geneven. Geneven over de kerk. Het is er geneven over. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 32).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nevens , neffĕn , naast.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
nevens  , naeve , naast. Bej ôs naeve, naast ons, in de buurt. Der naeve zaet staeve, uitdrukking bij het beugelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
nevens , neffens , an, naast.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
nevens , neews , voorzetsel , naast
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nevens , néêve , naast néêve de schól lâg ’n sportvèld naast de school lag een sportveld; D’r néêve zinge vals zingen; D’r néêve praote onzin praten, raaskallen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
nevens , néffes , naast Ik woon vlak néffes hum. Ik woon kort naast hem; daarenboven. En néffes det hé’k nog wa te melde. daarenboven heb ik nog wat te zeggen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
nevens , neven , voorzetsel en bijwoord , Verouderd voor naast.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nevens , nééve , 1) naast (plaatsbepaling); nééve de kéérek woone “naast de kerk wonen”; 2) langs(richting aanduidend); héj fietste nééve de kéérek “hij fietste langs de kerk”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
nevens , nèffe , voorzetsel , neven, naast, mis. 1. Hij hè lillek nèffe ’t pötje gepiest. Hij is goed fout. Heeft zich misdragen. 2. Ons grutje is vèr wèg. Ze prot ’r geduurig nèffe. Grootje slaat wartaal uit. 3. Ge zit ’r himmel nèffe. Je hebt ’t helemaal mis.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
nevens , nevve , naast, langs.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
nevens , neffens , voorzetsel , (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe veroud.) = 1. volgens Neffens mai was het zo neit (Row), Neffens mij is dat verkeerd uut elegd (Nije) 2. naast (Zuidwest-Drenthe, noord) Hij woonde neffens mien zwaoger (Vle), z. ook neffen, nevens
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nevens , nevens , nèven, nevenst , voorzetsel , (veroud.). Ook nèven (Nsch), nevenst (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. namens (Zuidoost-Drents zandgebied) Nevens mien va mus ik je dat even vertellen (Sle) 2. naast (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) Die woont nevens elkaar (Hol), Het lig nèven de klokke (Nsch), z. ook neffen(s)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nevens , neven , naast. ik kom neven oe lopen, ik kom naast je lopen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
nevens , nèève , néffe , naast, neven , Die mènse kènne mekaor goed, want die woone nèève mekaor, t’is ók nog's femielie. Die mensen kennen elkaar goed, want die wonen naast elkaar, het is ook nog familie.
T’is mén't zéllefde of ik'ker néffe lig of 'r nèève. Het is mij hetzelfde of ik ernaast lig of erneven. Ik vind alles best, maar het deugt geen van twee.
Ik héb in de kèrk diejen óóme gezien, is dé waor, jao ik weet 't zeeker ik zat'ter néffe. Ik heb in de kerk die oom gezien, is dat waar, ja ik weet het zeker ik zat er naast.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
nevens , neffens , neffen , voorzetsel , 1. in aanmerking genomen, in: neffens dat 2. vergeleken met 3. volgens, naar, 3. naast, nevens 4. volgend op
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nevens , neeve , naast
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
nevens , neffenin , naast elkaar
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
nevens , neffe , neve , naast, naast iemand zitten , neffe wie zitte gij = naast wie zit jij- jirreluk is jirreluk, ge wit veul mar nou zitter toch flienk neffe = eerlijk is eerlijk, je weet veel, maar nu zit je er toch helemaal naast-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
nevens , néffe , néffenin , naast, langs , Néffe óns huis stòn twee nootebeum. Naast ons huis staan twee notenbomen., Néffe mekaâr hinne leeve. Langs elkaar heen leven., Hèij gleej ’r krèk néffen af. Hij gleed er precies langs af., D’r nèffe doewn . lunderen, naast de pot pissen., M’n bruur en ik woone néffenin. Mijn broer en ik wonen naast elkaar.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
nevens , neffe , naast
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
nevens , naeven , naast (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
nevens , neffe , nèève , voorzetsel , naast (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant); nèève; naast (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
nevens , naeve , naast, langs, zie ook bezieje , Det is t’r naeve. Det liktj neet naeve de duuer: dat is ver weg. Naeve ’t pötje pisse. ‘Woea is niks?’ ‘Bie ós naeve, want dao woeantj nemes.’: dooddoener.: dooddoener.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nevens , neeve , nèffe , voorzetsel, bijwoord , naast, neven; bij de buren; Den boer liep neeve zen pèèrd. - De boer liep naast zijn paard. WBD III.1.4:l6 'erneven zijn', 'erneven zitten', 'ernaast zijn', 'ongelijk hebben' = zich vergissen; WBD III.1.4:245 'erneven vatten' = teleurgesteld worden; WBD III.4.4:l33 'neven' = eerstvolgend, ook '(daar)naast', 'achter'; Bosch neve - naast, ernaast, vlakbij; Cornelis Verhoeven: NEVEN (neffe) voorzetsel - naast. Vgl. 'langs'; Antw. NÈVEN en NEFFEN voorzetsel Hetz. als nevens, Fr. à côté de, près de. Hij woont hier nèven de deur. Er nèven zijn - mis zijn. Dat is er nèven - verkeerd. WNT NEVEN, ook NEFFEN; Nèffe wie zaate gij? - Naast wie zat jij?; De Wijs – (uit diepzinnig gesprek opgevangen) - ik zeg… ik docht dekket goed daacht mar jè, ik was er neffe omdèk daor zô gezegd zogezeed gin gedaacht op gehad had. (17-10-1966); De Wijs – jè Kees, ik zô wel neffen oe willen gaon zitten.. mar dè stao nie… (16-01-1975); Cees Robben – Nèè meneer... Ge zèèt er neffe... (19580315); Cees Robben – gedoegeter neffe [je doet het ernaast = verkeerd] (19560707); Cees Robben – En zit de rest d’r neffe (19600916); Cees Robben – Dè was er neffe, meneer... (19791123); Interview met de heer De Kok (1978) – jè, ik kèn die straot…  nèffe bè, nèffe et spoor daor! Zuidoosterstraot!; Frans Verbunt: nèffen et pötje piese - zich ergens aan schuldig maken; WNT NEVEN, ook NEFFEN; Bosch neffe - naast; Jan Naaijkens, Dè's Biks: nèffe voorzetsel - neven, naast, mis; ge zit 'r himmel nèffe; Antw NEFFEN zie 'neven'; Hoeufft: NEFFEN, neven of nevens, voor 'langs' of 'voorbij'; b.v. 'zult gij eens aankomen, als gij eens nèffen gaat?'. Zoo ook zegt men 'iemand neven sturen' voor 'iemand aan de deur afwijzen'; het zal dus wel zooveel zijn als iemand naar het nevenstaande huis verzenden.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
nevens , nevve , naeve , naast; langs
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal