elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: niet 

niet , nie , niet. Is hier, als in België, algemeen in gebruik.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
niet , nie , niet. Zeer dikwijls wordt hier ter stede de t op het eind van een woord weggelaten, b.v. Utrech voor Utrecht enz. Zie Hoeufft, t.a.p. in v. nie.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
niet , nich , niet.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
niet , neet ,  ontk. bijw. , niet, Gron. nijt, nait.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
niet , nich , (bijwoord) , niet.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
niet , niet , neet , (bijwoord) , niet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
niet , niet , neet , (vrouwelijk) , niet, nagel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
niet , nijt , (onzijdig) = neet, niet, klinknageltje in eene schaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
niet , nijt , nait, neet, nich, n’t, nijten, nijte, nij , niet, bijwoord; nijt of geern! = zeg spoedig of gij mijn aanbod of voorslag aanneemt, ik ben onverschillig. Ook = niets; dat is jà nijt = zoo goed als niets. Spreekwoord: As nijt komt tot iet is ’t voak andermans verdrijt = ’t Nederlandsch: Als niet komt tot iet dan is ’t allemans verdriet, of: – dan kent iet zichzelven niet. Zie ook: al.
neet (Westerkwartier) = nijt = niet, ontkennend bijwoord.
nich (Westerwolde) = niet; “man daor har ’k nich veul zin an” = maar daar had ik niet veel zin aan. Oostfriesch nich, nigh, nig, Nedersaksisch nich, Hoogduitsch nicht.
nijten (Stad-Groningsch) = niet, bijwoord.
n’t, achter een werkwoord = niet; ik ken n’t = ik kan niet; ken n’t = ik moet passen (bij ’t kaartspelen); hij mijnt’ n’t = hij meent het niet, is ’t n’t woar? = is het niet waar? ’k wil n’t = ik wil niet, ik wil het niet doen; ’t wil n’t = het wil niet vlotten, enz.; ’k zag ’t n’t = ik zag het niet (tijdig genoeg); dait n’t (– Oldampt) = dat doet er niet toe, dat kan buiten rekening gelaten worden.
nij?, ook: nijte? en nijt? = niet? bv. in: nij Idea? = is het niet waar Ida? “Zoo? as ik die den rais ’n dingerijs beloofd heb, dan mag ik dat hollen, nijte?” da’s zoo goud, nijt? = zoo is het goed niet waar? Door het wegvallen der t, voor: nijt = niet. Vgl. , en zie ook nei.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
niet , nijt* , zie ook al*.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
niet  , neet , niet, Is et neet, nietwaar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
niet , neit , niet
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
niet , neet , bijwoord , niet; neet wat, niks; neet good, niet goed wijs
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
niet , nich , niet
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
niet , nie , niet (ontkenning).
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
niet , niet , neit, neeit, niete, neet, nete , de , nieten , (Kop van Drenthe). Ook neit (Kop van Drenthe), neeit (Midden-Drenthe), niete (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied), neet (Zuidoost-Drents zandgebied), nete (Zuidwest-Drenthe, noord) = klinknagel De nete holdt de schère bij mekaer (Dwi), De scherenslieper het een neie neit in de scheer zet (Een), z. ook niege, nele
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
niet , niet , nich, nait, neit, neet, neeit, nie , bijwoord , Ook nich (Zuidoost-Drents veengebied, Ros), nait (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, de laatste soms met erg donkere a, die bijna o wordt), neit (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), neet (Zuidwest-Drenthe), neeit (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Soms meerdere vormen in één plaats mogelijk. Niet wordt ook uitgesproken als nie = niet Dat kan ik niet doun maar Hij heurde het neit (Row), Zo is het niet, mar hoe het wal is, dat wee’k niet (Sti), Woj nog wat? Nee, ikke niet meer (Vle), Wij hebt er niet ien bij, die zo zwaor is (Emm), Het een was niet mooier as het aander (Hijk), Het is gien slechte kerel, dat niet, mar eerlijk is e ok niet (Bov), Ik wil nait hebben das doe daor mit hen gaist (Vtm), Dat is zo slecht nog niet (Sle), Niet umme het ien of het aander, mar as het een beetie wil, muj toch mar komen het gaat nergens om (Eli), Dat is nete dat is niet waar (N:Wijs), Neeit, der is niks van waor niet waar (Eex), Niet er um niettemin, hoe het ook zij (niet Veenkoloniën en Kop van Drenthe) Zij waren het niet iens um der hen te gaon, mar niet er um is het toch deurgaon (Oos), Niet er um, het was een mooie aovend (Hoh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
niet , nie , niet. dè kan nie, dat kan niet.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
niet , niet , bijwoord , niet
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
niet , niete , zelfstandig naamwoord , niet
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
niet , niete , nete, neet, niet , zelfstandig naamwoord , de; boutje, speciaal: dat de beide helften van een schaar bijeenhoudt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
niet , nie , bijwoord , niet Ik weet ter nie van Ik weet er niets van
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
niet , nie-en , bijwoord , niet [veroud] Dat komp omdajje ‘t nie-en ziet dattie ‘t nie-en ken Dat komt omdat je niet ziet dat hij het niet kan
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
niet , nie , niet
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
niet , nie , niet
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
niet , nie , niet , Dè zal nojt nie gebeure! Dat zal zeker niet gebeuren!, Dè doek nie mér. Dat doe ik niet meer.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
niet , niet , gies niet, helemaal niet; niet goed wezen, ongesteld (wezen).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
niet , neet , niet , Det doon ich dich neet nao. Det is neet väöl: dat is niet veel soeps. Det is toch zoea, neet? Det weit ich zoeanet nog neet. ‘Kan ich neet’ liktj op ’t kirkhof en ‘wil ich neet’ liktj t’r naeve! Neet noe. Neet ónaeve: niet onaardig. Nog neet mesjien!: absoluut niet, beslist niet. Waat neet is, kan nog kómme.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
niet , nie , bijwoord , niet; Kees en Bart: niemir; Cees Robben – “Dus naa-nie of dan nie – of nôôt nie...” (19640710); Dialectenquête 1876 - nimt ie nie meer? - neemt hij niet meer?; DANB hij kan nie vórt òf trug; Henk van Rijen:  nie as naaw - nooit zoals nu; Henk van Rijen:  teege den aovend waar ie nie mir bekwaom - ... was hij dronken; Henk van Rijen:  nie nôoj - niet ongaarne, niet met tegenzin; Hoeufft: NIE, voor 'niet', in de meeste gevallen. Vaste regel is moeilijk te geven. Oud-Gothisch 'ni' = niet. NIET is samengesteld uit nie-it. Z.a. A.P. de Bont: ni, bijwoord 'nie' - niet; Antw. NI, NIE bijwoord Wordt meest altijd gebruikt voor 'niet', FR. ne pas; WvM 'da'k nie mir kos ophouwe'; - NIE treedt dikwijls als versterking op bij ontkennende woorden. ... ’t wor pekaant hil de dag nie licht nie. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Hij zeej: «Miet, belt den dokter mar/ want ik zè niks nie lèkker» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dè hai liever); ...want zon bui valt, weezeluk waor,/ aaltij hier èn nôot nie daor. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et weer)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
niet , naet , ni , niet
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal