elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nieuwtje 

nieuwtje , [iets nieuws; bericht] , neigien , nieuwtje.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
nieuwtje , neigien , neichien , nieuwtje, tijding.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nieuwtje , neike , (Ommelanden), voor: elk klein voorwerp dat nieuw is; geef mie dat neike moar, bv. = geef mij dat nieuwe schaartje maar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nieuwtje  , nietje , het laatste nieuws.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
nieuwtje , niejchien , onzijdig , nieuwtje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nieuwtje , néêjke , o , nieuwtje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
nieuwtje , nuwtje , nuwke , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Nieuwtje. | Ik weet nag ’n nuwtje, Dirk Reus gaat emigrere. 2. Nieuw voorwerp. | Ik hew maar ’n nuwtje kocht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nieuwtje , niejgien , nieuwtje.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
nieuwtje , niejgie , nieuwtje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nieuwtje , neigien , het , neigies , Var. als bij nei = nieuwtje Moej heuren, dan za’k je even een neigie vertellen (Schn), Het gung as een neigien deur het dörp (Ros) *Het is eerst een neigien en dan een schietereigien achteraf blijkt het nieuwtje niets waard (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nieuwtje , ni’jgien , nieuwtje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nieuwtje , niejchien , nieuwtje. ’t Is gien niejchien meer; ’t niejchien is der schone of.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nieuwtje , ni’jgien , zelfstandig naamwoord , et; nieuwtje, berichtje uit de directe omgeving, uit de directe nabijheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nieuwtje , nieuwchie , zelfstandig naamwoord , (roddel)nieuwtje Vandaeg is ‘t een nieuwchie maor nae een paor daege is ’t oover Vandaag is het een nieuwtje maar na een paar dagen is het voorbij
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
nieuwtje , néíjke , nèìjs , nieuwtje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
nieuwtje , ni’jgien , (zelfstandig naamwoord) , nieuwtje.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nieuwtje , nie~tje , nieuwtje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal