elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: niezen 

niezen , fniesten , (intransitief werkwoord) , niezen, hij fniest, moet gedurig fniesten, ook wel fniezen. Vroeger was het hier vrij algemeen gebruikelijk, den fniestenden een welbekomtje, of Godzegentje, toe te wenschen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
niezen  , neeste , niezen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
niezen , niesten , niezen (1899).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
niezen , kniezen , niezen. Je mag niet in gezelschap knieze .
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
niezen , fnieste , fnieze , werkwoord , Verouderde dialectische variant van niezen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
niezen , neezje , niezen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
niezen , niezen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Git) = proesten, z. ook het meer gebr. proesten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
niezen , fniezen , niezen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
niezen , kniezen , niezen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
niezen , niesten , niezen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
niezen , neeste , neestj, neesdje, geneestj , niezen , De perike inne gróndj huuere neeste: erg gierig zijn. Es emes neestj, zaes se ‘God zaengeltj dich.’
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal