elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: niks

niks , niks , niet, niets, niemendal.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
niks , niks , niets: dat is niks aans jong = dat is zóó en niet anders jongen! Ook Gron. (Stad-Gron. ook niksnijten), Overijs. ook nikkes, Over-Bet. NBrab. Zuid-Limb. (nieks) ZHoll. Oostfr. Neders. Holst. Hamb. Westf. en zoo in bijna alle dialecten van het Nederduitsch. HD. Nichts.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
niks , niks , (onzijdig) , niets.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
niks , naks , zie: niks.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
niks , niks , niets; ook Drentsch, Overijselsch Geldersch, Zuid-Hollandsch, Noord-BrabantschOverijselsch ook: nikkes, Zuid-Limburgsch nieks, Oostfriesch, Nedersaksisch, Hamburgsch, Holsteinsch, Westfaalsch niks, en zoo in bijna alle dialecten van het Nederduitsch. In den gemeenzamen stijl wordt er door onze schrijvers ook heden wel gebruik van gemaakt; vroeger was zulks minder ongewoon, o.a. bij Wolf en Deken. – Bij een ontkenning: is niks gijn volk; ’t is niks nijt kold; da’s niks nijt; ’t het niks gijn nood, (ook Overijselsch); da’s niks mooi = dat is eer leelijk dan mooi, ook Oostfriesch – Voorts: dei pen schrift niks = die pen deugt niet; ’t wil niks mit heur = er komt geene beterschap; ’t wil niks (van een werk) = ’t wil niet vlotten; hij zee d’r niks op = hij antwoordde er niet op; ’t is ’n kerel van niks = ’t is een persoon die in geen enkel opzicht iets beteekent; ook: die niet op zijne zaken past, die nergens toe deugt; niks t’r van! = niks van dat! = ’t zal niet gebeuren, kan niets van komen, gij krijgt uwen zin niet; niks te doun! = dat heeft niets te beteekenen, en ook: er is niets in den weg, alles is weer in orde; da’s net niks = da’s ’n ding van niks = da’s netzooveul as niks = dat kost niet de minste moeite; ook: dat is geen bezwaar, wat zou me dat wezen! en hiervoor ook: da’s niks = daarover behoeft gij u niet ongerust te maken, daar wordt gij niet om gestraft, daar is niets aan verbeurd, enz.; dat dut niks = dat doet er niet toe; “Moar dat dut nou ook almoal niks!” Wordt er op de vraag: is t’r ook wat nijs? geantwoord: niks, dan luidt het wederwoord: niks is goud veur d’oogen, den huif ie d’r nijt in te vrieven. – Alliteratie: niks of naks = volstrekt niets, van ’t een zoo min als van ’t ander. Zegswijs: dei ’t al hebben wil krigt niks; ook Oostfriesch; ook al weer goud (= ook goed) met de toevoeging: zee de koopman en verkoft niks; ’k heb mie ìjnmoal schoamd en dou heb ’k niks kregen, is het antwoord van een onverschillige op de vermaning: schoam die wat! ook Lipsland – Ten bewijze dat de dubbele ontkenning in den aard der taal gegrond is, heeft men ook: nooit narns (nooit nergens) = nergens; nijmand nijt? bij Conscience: niemand niet. Groot Woordenb. art. geen: “In volzinnen of zinsdeelen, die door het ontkennende voegwoord noch werden voorafgegaan, placht men voorheen de ontkenning te versterken door geen in den zin van eenig op noch te doen volgen. Zonder twijfel is eene dubbele ontkenning volkomen met den aard onzer taal in overeenstemming; evenzoo bedient men zich in de volkstaal van uitdrukkingen als niemand niet, niets niet, en soortgelijke, waarin de tweede ontkenning door de eerste niet wordt opgeheven. Doch … bezigt men in de nieuwere beschaafde spreek- en schrijftaal niet meer dergelijke schijnbaar dubbelzinnige uitdrukkingen.” – Zie ook Mag. Ned. Taalk. 1851 bl. 150; Dr. A. de Jager, Handl. bl. 38, alsmede o.a. Math. 5:15; 9:17.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
niks , niks* , hierbij: da’s net niks, da’s net zooveul as niks, da’s ’n ding van niks = dat kost niet de minste moeite, ’t is geen bezwaar, wat zou me dat zijn (of: wezen), vgl.: wezen en biegoan *; zie ook ans * (bldz. 498) en weerd , alsmede: lieken . ’t Woord vormt den overgang van ’t Hoogduitsch “nichts” tot ’t Nederlandsch “niets.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
niks , niks , niets. Niks van aan, het is niet waar. Wae niks haet en zich niks mak, is ouk niks, men moet zich steeds goed presenteeren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
niks , niks , niets
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
niks , niks , totaal niets Dè ’s drie kérres niks Dat is totaal niets; niks hébben op bang zijn van Ik héb ’t ’r niks op! Ik ben er bang van; niks op hébbe mit niet houden van Ik héb gaar niks mit hùr op! Ik houd helemaal niet van haa
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
niks , um ’ne niks , kleinigheid, zonder reden Ze jankt um ’ne niks Ze huilt om een kleinigheid.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
niks , niks , onbepaald voornaamwoord en bijwoord , Konsekwent gebruikt i.p.v. niets. Zegswijze hai doet liever niks as ’n beetje, hij is aartslui. – Niks rammelt niet, alles heeft een oorzaak. – Niks komt vezelf as lang heer en luize, zie de vorige zegswijze – Van niks gaat de kat doôd, je gaat niet voor niets of pro deo aan het werk het mag heus wel wat kosten. – Van niks wat worre, zich van arme, eenvoudige afkomst opwerken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
niks , niks , bijwoord, onbepaald voornaamwoord , 1. (bw.) versterking van een ontkenning Ik vuil mij niks nait goud absoluut niet (Zui), Ik had er niks gien arg in, dat wij al zo lang bezig waren (Bro), Dat giet daor niks niet te best eufem. voor: het gaat helemaal mis (Coe) 2. (bw.) helemaal niet Het is niks koold vandage (Eli), Ie bint ok niks neisgierig! (Man), Ik veule mij niks te lekker (Uff), Hij was niet kwaod of niks helemaal niet kwaad (Hoh) 3. (onbep. vn.) niets Dat was zo goedkoop, det was gewoon veur niks gratis (Rui), Door heb wie niks mit te maken (Nsch), Die man is met niks begunnen en het giet hum non best (Schl), Dat is niks mit niks helemaal niets (Dwi), Dat is niks aans jong dat is zo en niet anders (wm), We geven der niks om (Vri), Het is nog minder as niks helemaal niets (Wsv), Het is daor niks meer as hemmel het is er maar net schoon (Zdw), Der was gien naod lös of niks het was helemaal goed (Sle), Het hef niks um hakken (Zwin), ...om het lief het stelt niets voor, het is maar een kleinigheid (Eco), Het had niks over het kon maar net (Flu), Het is net zoveul as niks stelt niets voor (Eri), Ik heb het niks an de hoed geen zin (Hol), Der komp niks van in het gebeurt niet (Die), Niks der van, door komst doe nich hen (Bov), Wij hebt er niks van te doen wij doen niets (Sle), Dat is een vent van niks waardeloos persoon (Bor), Ze bint niks hebben geen geloof (Bro), Hij staat veur niks nergens voor (Smi), Wij holdt er niks van geven geen feest (Sle), Dat kind fietst al net of het niks is alsof het niets voorstelt (Gie), Het dreeit op niks uut wordt niets (Mep), Hij kreeg een neie niks as beloning niets (Hol) *Niks wezen en zuk niks verbeelden is hailemaol niks (Twe); Niks wezen en niks lieken niets voorstellen (Klv); Niks is goud in de ogen (Row), ...maor slecht in de soep (Rol), ...mor niet um weg te poesten (Anl), ...mor niet in de portemenee (Bui); Niks is beter in de ogen dan in de mage (Noo); Veur niks giet de zunne op (Dwi); Woor niks is, hef de keizer (Wap), ...de keuning zien recht verloren (And); Niks is niks en oet niks hef God de wereld schapen (Bco); Waor niks is, wil niks weden (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
niks , niks , niets. dòr kunde gij niks aon doen, daar kun je niets aan doen. ik hebtr niks op, ik heb er geen vertrouwen in.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
niks , niks , niets
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
niks , niks , niets.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
niks , niks , niets , Vur niks gi de zon óp, zónder géld kun'de nie veul klaormaoke dé weet ik wél. Voor niets gaat de zon op, zonder geld kun je niets voor elkaar krijgen dat weet ik wel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
niks , niks , niks gien, helemaal geen, helemaal niet; niks bie te zetten hebben, geen weerstand hebben.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
niks , niks , niets , Dao höb ich niks mèt oet te staon: daar heb ik niks mee te maken. Det is neet niks. Waem niks van zich maaktj, is ouch niks: wie zich niet profileert, valt ook niet op. Werk höbbe is niks, mer werk haoje. Woea is niks? Woea niks is, kan get kómme!: wie zich niet profileert, valt ook niet op. Werk höbbe is niks, mer werk haoje. Woea is niks? Woea niks is, kan get kómme!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
niks , niks , voornaamwoord , niets; 'òf niks' (èn niks) dient ter versterking v.e. ontkenning; MP gez. Ge hèt niks vur niks as ene scheet in oewe slaop. R.J. 'deh noem ik niks gin schaand'; Cees Robben: ze heej niks gin prisentaosie; dè gift niks; Cees Robben: dègge meej niks begónne zèèt; ze zien mèn staon meej niks aon; Cees Robben: al vèèf mònde getrouwd, èn nòg niks; himmòl niks; Cees Robben: hij is nie goed òf niks, èn leej te bèd èn alles; V ze blêef allêen aachter want ze ha gin kènder òf niks V ik zèè nie goed èn niks (nie); Dialectenquête 1876 - Ze doen der niks goeds; B niks; WBD III.4.4:283 'niksnie', 'nikskenie' = onbelangrijk; WBD III.4.4:284 'nikswicht' = iets onbelangrijks; WNT NIKS - in de gemeenzame taal gebruikelijk in den zin van niets. Hoeufft: NIKS, even als het Plat-Duitsche 'nix', van het Hoogd. 'nichs' voor 'niets', wordt elders meestal schertsende gezegd. Hier vrij algemeen, ook in den beschaafden spreektrant. Z.a. Antw. NIKS vrnw. Wordt overal gebruikt voor 'niets'.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
niks , niks , niets
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal