elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: officier 

officier , ofcier , officier. (Van geheel onbeschaafden hoort men nog: ofcijr.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
officier  , offeseer , officier.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
officier , offeseer , mannelijk , officier
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
officier , officier , offesier, offesaier, offeseier, ofsier , de , Ook offesier (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), offesaier en offeseier (Kop van Drenthe veroud.), ook uitgesproken als ofsier = officier Hij is offesier in het leger (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
officier , òffesier , zelfstandig naamwoord , officier; WBD III. 2. 3:269 'offecierke' = borrel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal