elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ofschoon 

ofschoon , alschoon , ofschoon, hoewel; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ofschoon , alschoon , ofschoon, alhoewel. - ‘Alschoon ik het toch zoo zeker nie(t) en weet’. - ‘Alschoon dit alles overwegende’, Navorscher 55, 606 (Napoleon te Utrecht, in 1811); ook (Vermeulen), De St. Utr. i. h. j. 1813, blz. 18.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
ofschoon  , ofschoeën , ofschoon.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ofschoon , ofschoon , voegwoord , (weinig gebr.) = ofschoon Ofschoon het mooi weer was, leup hij mit de overjasse an (Dwij), Ofschoon het al laete is, maeke wij het toch even daon (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ofschoon , ofsjoean , ofschoon, zie ook wiewaal
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal