elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: olie 

olie , eulie , olie, ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
olie , ö̀lli , (mannelijk) , olie.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
olie , eulie , eulje , (onzijdig) = olie. Hoogduitsch Oel, Nedersaksisch ölje. Bijna alle dranken worden ook onzijdig gebruikt, bv. melk, koffie, thee, wijn, enz., alsmede: edîk, stroop, sukker, peper, muskoat, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
olie , eulie* , [bldz. 517]: “vergel. wien” enz. beteekent, dat die woorden, evenals meer stofnamen, hier wel eens onzijdig worden gehruikt; in ʼt Westerkwartier zegt men eulje.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
olie  , aolie , olie. In den aolie zien, dronken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
olie , iöllie , mannelijk , olie. In ’n iöllie wiään: dronken zijn.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
olie , ùllie , zelfstandig naamwoord, mannelijk , olie
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
olie , óllie , m , a/ olie b/ petroleum. D’n óllie is op De olie is op; D’n heiligen Óllie Het Heilig Oliesel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
olie , ôlie , zelfstandig naamwoord de , Olie. Zie voor een zegswijze onder magge.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
olie , ollie , zelfstandig naamwoord , olie. 1. D’n heiligen òllie werd gebruikt bij het toedienen van de H. Sacramenten der Stervenden. Geen wonder dat men op de vraag: “Luste ’ne bòrrel?”kon antwoorden: “Nou, ’k hèm liever as d’n helliggen òllie!”2. Lèènòllie is lijnzaadolie. Zuutenòllie is raapolie. Bròmòllie (let op de m!) is petroleum, bronolie. In het klein werd die verkocht in vierkante, metalen literkannetjes. Jan Ollie (Jan Kluytmans) en Jan van Poppel ventten die rond op een bakfiets. In het Slibbroek was een vast verkooppunt: In d’òlliepint. 3. In de Gelderstraat, naast de winkel van M. Schijvens, stond weleer ’nen òlliemeule. Hier werd uit koolzaad olie geperst. 4. Woordgrapje: Olliede gullie d’n ullieje òk? Oliën jullie die van jullie ook? 5. ’nen òlliekop is een rood-aangelopen hoofd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
olie , öllie , olie.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
olie , eulie , öllie , Ook öllie (Pdh, Scho) = 1. olie Doe mij even wat eulie in de laamp (Gas), As het stroef giet, muj der wat eulie an doen (Hol), Hij zit dik in de eulie (Hgv), ...goed under de eulie is dronken (Eri), Dat was eulie in het vuur (Row), Hij gooide wat eulie op de golven liet het bedaren (Klv), Het lop as eulie gesmeerd (Hgv), Die is net Haarlemmer eulie, die kuj overal veur gebruken (Klv), De eulie is op ebraand bij de aolde baos hij ligt op sterven (Ruw) 2. (veend.) glanzende stof in gliede (Zuidoost-Drents veengebied)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
olie , ollie , olie
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
olie , eulie , olie
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
olie , eulie , olie.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
olie , óllie , olie , Ik héb hum liever és d’n héllegen óllie. Ik heb hem liever dan de heiligen olie. Antwoord op de vraag of je nog een borrel wil.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
olie , eulie , zelfstandig naamwoord , de; 1. bekende vloeistof: olie 2. oliesoort 3. aardolie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
olie , ôllie , olie
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
olie , ôllie sloon , olie persen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
olie , öllie , (zelfstandig naamwoord) , olie.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
olie , òllie , olie , D’n Hèlligen Òllie. De Olie der Zieken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
olie , oealie , (mannelijk) , olie , D’n daeke brach(t)’m d’n Oealie: de deken bracht hem het sacrament der zieken. D’n Heiligen Oealie, ’t Heilig Oealiesel.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
olie , ollie , zelfstandig naamwoord , olie; Ik zaag er [paddenstoelen] zô wit as roome, zô gèl als boter, wir aandere zô bruin as peperkoek en vettig blinkend of er ollie over gesmèrd zaat... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929); Dialectenquête 1876 - ollie (met heldere korte o); Cees Robben – in den ollie.. (19870508); Lechim –; Ollie bespaoring? / 't Is 'ne trubbel mee d'n ollie / We motte mindere en gaauw / Aanders zitte we van 't wènter / Mee allemolle in de kaauw. / 't Auto-rije mot op staoikes / Honderd per uur, dès volop zat / Om te vurkoome dèmme laoter / D'n bojum zien van 't ollievat. / In Argentinië - heur ik zegge - / Slaon ze'r naa al van op hol / Gin beziene in de tènke / Mar kösselukke alkehol. / Och, 't is zó mar 'n gedachte / Mar witte waor ik bang vur ben? / Dèsse daor strak ók zónder ollie / Durlóópend in d'n ollie zèn. (Tilburgse Koerier, ca 1975); Frans Verbunt - dès aanderen ollie zittie, èn hij zêek in de lamp; Frans Verbunt - (sneevel) ik hèbbem liever as den hèllegen ollie; K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Stien ollie (Joh. Mutsaers) (blz.56); WBD III.2.3:233 'oliekoek' = idem; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - óllie, met korte vocaal (krt. 61); A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - óli, znw.m. - olie; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'ollie' zn - olie; Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - ollie – olie
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
olie , aolie , olie
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal