elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onbeschoft 

onbeschoft , onbeschōft , (zelfstandig naamwoord met den klemtoon op: on); iemand die zich bij het eten gulzig toont, vooral bij vreemden, een schrokkig mensch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
onbeschoft  , ônbeschoef , onbeschoft.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
onbeschoft , onbeschoft , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , onbeschoft Hij gedreug zuch zo onbeschoft, je mussen je der haost veur schaomen (Anl), (zelfst.) Dat is een dikke onbeschoft (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onbeschoft , onbeskoft , onbeschoft
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
onbeschoft , onbeschoft , bijvoeglijk naamwoord , onbeschoft, ruw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
onbeschoft , ombeschoft , bijvoeglijk naamwoord , onbeschoft, lomp
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
onbeschoft , ónbesjóftj , onbeschaafd, onbeschoft
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
onbeschoft , ónbeschoef , onbeschoft
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal