elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onbezorgd 

onbezorgd  , ônbezörg , onbezorgd.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
onbezorgd , onbezörgd , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Var. als bij zörg = onbezorgd Wat fijn, aj zo onbezörgd van de olde dag kunt genieten (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onbezorgd , ónbezörgde , onbezorgd , Ut zal héúr 'n zörg zén, dé's 'n ónbezörgde méijd, lôtter wordt dé wél bèèter. Het zal haar een zorg zijn, dat is een onbezorgd meisje, later wordt dat wel beter.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
onbezorgd , ombezurregd , bijvoeglijk naamwoord , onbekommerd Ze benne nou nog saompies met d’r baaie en hebbe een ombezurregden ouwen dag
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
onbezorgd , ónbezùrgde , zonder zorgen, bourgondisch , Fóns leeft d’n ónbezùrgde. Fons leeft bourgondisch.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
onbezorgd , [onbezorgd ] , ónbezörgdj , onbezorgd
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal