elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onweer 

onweer , onweer , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Ook slecht, onstuimig weer; storm en regen. || Gaan-je mit zuk onweer uit? ’t Is van de week alle dagen onweer. Wat ’en onweer, je zou der gien hond deurjagen. Soghtens een onweer uytten SW., savent bedaardet, Journ Caeskoper, 22 Juni 1669. 4 Dij(to) S. w(int), sneu, een groot onweer, ald., 4 Febr. 1670. – Evenzo elders in N.-Holl. Vroeger was het woord in deze zin ook elders gebruikelijk; zie Ned. Wdb. X, 2196. – Vgl. onwerig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
onweer , onweer , (Hoogduitsch Unwetter) = onstuimig weer (in ’t Nederlandsch verouderd); vgl. zwoarweer *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
onweer  , ônwer , onweder.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
onweer , onwiäär , onzijdig , onweer
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
onweer , onweer , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: slecht, onstuimig weer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
onweer , onweer , het , 1. onweer Gisternacht har wai bai ons onweer, het weerlichtte en dunderde omraok (Pei) 2. slecht weer Je moet met dat onweer in hoes blieven (Bal) 3. trammelant, gedonder (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) Bij die meinsen is het altied onwèer (Pes), De plietsie giet er langs, der zal wel waorens onweer wezen (Klv), Dei hef onweer in de kop hij maakt veel lawaai (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onweer , onweer , onweer
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
onweer , onweer , zelfstandig naamwoord , et 1. onweer 2. slecht weer 3. plezierige drukte; vooral: gebeurtenis van een geboorte, begin daarvan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
onweer , omweer , zelfstandig naamwoord , onwere , omweertie , onweer Gunter viert ‘t al; me krijge omweer Daar bliksemt het al; we krijgen onweer
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
onweer , onweer , in de weerspreuk: onweer in ’t dorre hout (d.w.z. herfst of winter), maakt ’t veurjaar (of: zomer) nat en koud.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
onweer , ónwaer , onweer
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal