elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oogbrauw

oogbrauw , oogbraân , de haartjes aan de randen der oogleden, in tegenoverstelling van wenkbraauwen. Fr. les cils. L. F. de teisterkes. De Hollanders hebben hier geen naam voor.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
oogbrauw , oogbraën , (meervoud, vrouwelijk) , wimpers of wenkbrauwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
oogbrauw , ougsbrouwe , wenkbrauwen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
oogbrauw , oongbrùe , zelfstandig naamwoord , oogwimpers
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
oogbrauw , ogenbroan , zware wenkbrauwen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
oogbrauw , oongbroan , wenkbrauwen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
oogbrauw , ogenbraon , (Gunninks woordenlijst van 1908) wenkbrauwen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal