elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oostganger 

oostganger , Oostganger , iemand die uit de Oost in Nederland terugkomt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
oostganger , oostgangers , pas uit Oost-Indië teruggekeerde personen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
oostganger  , oeësgenger , Oost Indisch soldaat.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
oostganger , oostgenger , mannelijk , iemand die in lndië (De Oost) is geweest.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
oostganger , oosgengr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , oosgengrs , koloniaal
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
oostganger , oostganger , (ouderwets), iemand die als militair in Ned. Oostindië had gediend
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
oostganger , oostganger , de , koloniaal Die vrogger hen Indië gungen, waren oostgangers (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
oostganger , oosganger , oostganger, koloniaal.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
oostganger , oostganger , koloniaal; erbij lopen als een oostganger, er onverzorgd uitzien (Harderwijk).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal