elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opdraaien 

opdraaien , opdraaiën , opbinden = wijs maken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
opdraaien , opdrèjen , (sterk werkwoord) , zich wegscheren, opdraaien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
opdraaien , opdraien , (opdraaien), in: hij is tʼr veur opdraid = hij heeft het niet durven wagen of: hij vreesde dat zijne krachten te kort schoten en heeft daarom zijn plan laten varen. (v. Dale: hij is er voor opgedraaid = hij heeft het niet kunnen gedaan krijgen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opdraaien , opdraien* , vgl. ’t Nederlandsch “opdraaien”, dat ook “boeten” beteekent.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
opdraaien  , opdreie , opwinden, ook aansporen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
opdraaien , opdreejn , werkwoord , op stang jagen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
opdraaien , opdreien , dreien op, op edreid , opdraaien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
opdraaien , opdrèeien , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. opdraaien Het opdreeien van de ophaalbrogge duurde nogal een poosien (Bro), As die moor lus geeit, dan moej der twee opdrèeien (And), Hij hef mooie plannegies, maor as het op ’t wark ankomp, dan lat hij een aander der veur opdreien (Bei), Hie drèeide met de wagen de brugge op (Sle) 2. opwinden Aj vergeet de wekker op te dreien, dan löp e niet of (Hol), (fig.) Hij had zukzölf aordig opdreid (Eri), Laot hum praoten en laot jou niet opdrèeien op de kast jagen (Ndo) 3. aandoen Het locht opdrèeien (Sle), z. ook opdoen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opdraaien , opdreien , 1. opdraaien, opwinden; 2. ophitsen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
opdraaien , opdri’jen , werkwoord , 1. opwaarts draaien 2. met een zwaai een bep. richting nemen, een bep. richting inslaan 3. in touw opdri’jen tot hoorntouw ineen draaien 4. door aan te trekken of te draaien stevig vastbinden, afknellen, afbinden 5. het licht aandoen door de schakelaar om te draaien 6. ergens voor opdraaien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opdraaien , opdreien , (werkwoord) , opdraaien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
opdraaien , [door draaien opwinden] , opdrejje , 1. opdraaien 2. wijsmaken 3. de schuld krijgen 4. ophitsen , De wèkker opdrejje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
opdraaien , opdraaje , zwak werkwoord , opdraaien; het hoofd op hol jagen; Ik heb ze [haar] heelemaal nie opgedraaid en opgevreje! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
opdraaien , opdreie , dreide op – opgedreid , opwinden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal