elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opscheppen 

opscheppen , opscheppen , (werkwoord) , opdisschen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
opscheppen , opscheppen , fig. in: hier, of: daar de boel opscheppen = den baas spelen door bv. zich van spijs en drank meester te maken en te doen of men daar heer en meester was; voltooid deelwoord: opschept, in de zegswijs: ’t is opschept, mouder het ’n doalder wisselt! = wij zullen smullen want er is geen krimp.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opscheppen  , opschöppe , opscheppen, branie maken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
opscheppen , opschéppe , op de bord scheppen Éte(n) opschéppe Eten op de bord scheppen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
opscheppen , opscheppen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. opscheppen Zal ik je even wat soepenbraai opscheppen? (Row), Veur èerpels opscheppen hebt de boeren een holten schuppe (Bei) 2. grootspreken Het is wal een aordige kerel, mor hie mus niet zo opscheppen (Sle) *Opschöppen is ook een vak gezegd tegen een opschepper (Dwi), ook Opschöppen kost gien geld (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opscheppen , opschöppen , opscheppen. schôpt nog mar unne kéér op, d’r is nog zat, schep nog maar een keer op, er is nog genoeg.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
opscheppen , opskeppen , opscheppen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
opscheppen , ôpscheppe , opscheppen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
opscheppen , opskeppen , (werkwoord) , skeppen op, op-eskept , 1. opscheppen (van eten bijv.); 2. opscheppen, snoeven. Zie ook: opsnieden, opsniejen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
opscheppen , opsjöppe , 1. opscheppen, pochen 2. opscheppen , Hae is weer aan ’t opsjöppe uuever zienen auto.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
opscheppen , opschèppe , zwak werkwoord , opscheppen, namelijk: zoals iets zich voordoet; ...mar gère of nie, ge hed 't te nemen zooas Onze Lieve Heer 't opschept en 't biste is er nie over te lammenteeren. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
opscheppen , opschöppe , opscheppen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal