elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opschieten 

opschieten , opschijten , opschieten, vorderen. Ook = botje bij botje leggen en van dat geld de te maken vertering betalen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opschieten  , opscheete , vooruit maken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
opschieten , opscheiten , schuät op, opeschuätten , opschieten. Scheitet [schęĭt̥] eis op: schiet eens op. Zie-i opeschuätten? ben je opgeschoten? Opgeschuätten laond: land, opgehoogd met uitgegraven grond uit omringende sloot.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
opschieten , [snel bewegen, vorderen] , opscheten , opschieten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
opschieten , opschieten , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. voortmaken, opschieten Het wark schöt niks op (Klv), Opscheeiten; straks is het middag en dan hej nog niks daon (And), De tied schöt mooi op (Eri), Hie schöt op as een loes op een teerkwast hij is traag (Sle), z. ook opschikken 2. overweg kunnen Mit dei onderwiezer kan ik nich opscheiten (Bov), De buren kunden helemaol niet met mekaar opscheten (Bei) 3. opleveren, wijzer worden Hij is er niet veule met opscheuten (Pdh), Naokaorten scheet ie niks mit op (Die) 4. minder worden Het meel schöt al wèer op (Hijk) 5. ouder worden Zie scheut al aordig op (Sle) 6. betalen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Aj mor goed opschieten wilt, dan komp het wal goed (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opschieten , opschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = opbrengen As hij het niet dalijk kan opschieten, dan mut hij mar ofdokken (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opschieten , opschieten , werkwoord , 1. opschieten 2. (met korte ie) weggaan, oplazeren; ook in Schiet op je! kom nou toch, klets niet e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opschieten , opschiete , werkwoord , schiet op, schoot op, opgeschoote , 1. opschieten (haasten) 2. slootkanten afgraven (herstelwerkzaamheden na afkalving) Zie ook ontzakking
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
opschieten , opsjete , opschieten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
opschieten , opschiete , sterk werkwoord , opschieten; Mandos - Brabantse spreekwoorden: hoe meer volk veur, hoe minder dèt opschiet (vB Tilburgse Taalplastiek 197l) - gezegd m. b. t. een mis met drie heren; WBD III. 1. 2:5 'opschieten' = zich haasten, ook: 'affeceren', 'spoeien'; WBD III. 1. 4:347 'opschieten' = idem; WBD III. 4. 4:323 'opschieten' = vorderen; GD07 'asse en bietje opgeschoote hèbbe . . . '
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal