elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opzitten 

opzitten , opzitten goan , even opstaan van een stoel, bv. om een ander ruimte te geven: za’k even opzitten goan? (om u voorbij te laten gaan): nee blief moar stil zitten (hou uw gemak). – dat zit ’r op, of: dat zit ’r doodelk op = dat is er een noodwendig gevolg van; – hij zit ’r doadêlk op = hij is er terstond bij (om iets te verdienen, om er zijn voordeel mee te doen); ook: hij staat dadelijk, ongevraagd, met zijn oordeel gereed, meestal met ongunstige beteekenis. Spreekwoord: Hij zit’r op as de duvel op ’n zijl (ziel) = hij laat geene gelegenheid voorbijgaan als er wat te verdienen valt. Oostfriesch hi sit d’r up as de düfel = hij drijft door.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opzitten , opzitten , (sterk werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. – Ook opblijven des avonds. || Een kleine knaap vraagt: Moeder, mag ik vanavend opzitten? – Vroeger ook opwachting houden, van huwbare meisjes. || De oude vrouw verhaalde mij toen, dat het hier de gewoonte was, dat de huwbare meisjes des zondags avond opzitten, dat is, dat zij vrijers opwachten, en dat de moeders, wanneer zoodanige dochters des zondags ergens uitgenoodigd worden, gemeenlijk laten weten, dat haar dochters voor de vriendelijke uitnoodiging bedanken, dewijl zij dezen avond opzitten ... Ik kon zulks niet gelooven, doch de oude vrouw verzekerde mij, dat dit overal plaats had, en dat haar oudste dochter Mietje des zondags insgelijks opzat, Karaktersch. 308 vlg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
opzitten  , opzitte , Opzitte en puëtjes gaeve, vleien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
opzitten , opzitte , werkwoord , Ook: opblijven om te vrijen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
opzitten , opzitten , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. opzitten Die hond dee niks as opzitten en pooties geven (Emm), Ik zal hum leren opzitten (Bco), ...opzitten leren leren hoe ik het wil hebben (Rui), ...en pooties geven manieren bijbrengen (Eli) 2. waken Wij moet opzitten vannacht; wij kunt nog een kalf kriegen (Sle) 2. op het paard gaan ziten (vn) ‘dadelijk moet de knecht... opzitten en derwaarts ijlen’
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opzitten , opzitten , noodgedwongen blijven wachten met naar bed gaan
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
opzitten , opzitten , werkwoord , 1. opzitten, op de achterste poten zitten; iene opzitten leren te grazen nemen 2. niet het bed hoeven houden maar in een stoel e.d. zitten 3. door met een stoel te schuiven een vloerkleed e.d. opschuiven en bol doen staan, omhoog doen komen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal