elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: orgelpijp 

orgelpijp  , olgerpiep , orgelpijp, ook iemand die zanikt.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
orgelpijp , örgelpiepien , (Kampen) reeks kinderen uit één gezin die vlug na elkaar geboren zijn
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
orgelpijp , orgelpiepe , orgelpupe , zelfstandig naamwoord , de; orgelpijp, elk der pijpen van een orgel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
orgelpijp , örgelpiepe , (zelfstandig naamwoord) , orgelpijp.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
orgelpijp , örgelpiepe , holpijp (equisetum fluviatile) (Heerde).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal