elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: overbodig 

overbodig  , euverbaojig , overbodig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
overbodig , uaaverböudig , overbodig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
overbodig , overbodig , bijvoeglijk naamwoord , overbodig Tegenwoordig bint er ambtenaren overbodig (Sle), (-) einliek was de man er zowat overbodig (ti), Dat wark, wat hij deu, was overbodig (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
overbodig , overbodig , overbodig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
overbodig , overbodig , overbaodig, overbeudig, euverbeudig , bijvoeglijk naamwoord , overbodig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
overbodig , uvverbaojig , overbodig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal