elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plooien 

plooien , [plooien maken, regelen] , ploojen , (zwak werkwoord) , plooien.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
plooien , plöjen , (zwak werkwoord) , plooien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
plooien  , ploeëie , plooien. Hae zit in de ploeëie, in de puntjes gekleed.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
plooien , plooien , zwak werkwoord, overgankelijk , plooien maken Moej die gerdienen ophangen en dan even plooien in plooien leggen (Klv), Met een waarm laampglas is Lammegie de mus an het plooien (Eex), z. ook opbolten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plooien , plooien , werkwoord , 1. plooien: maken van plooien 2. (van mutsen, rokken) plooien krijgen, geplooid worden 3. in plooien hangen 4. regelen, in orde maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
plooien , ploi-je , plooien
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
plooien , ploeaje , ploeatj, ploeadje, geploeadj , plooien
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal