elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pluizen 

pluizen , pluzen , op ’t Hoogeland ook: kluzen, voor: stormen; ’t zel d’r pluzen, nl. op zee, zooveel als: de schippers zullen het hard te verantwoorden hebben, eigenlijk: de zeilen zullen stukslaan, aan flarden vliegen. Ook fig. = ’t zel d’r waien = daar zal straf uitgedeeld worden, dat beloof ik u, en ook: daar zal een hevige twist ontstaan, of: een felle strijd gestreden worden. Oostfriesch plüstern, Holsteinsch plúsen, ’t Hoogduitsch zausen. (v. Dale: kluizen = klotsen van het water tegen de kluisgaten; fig.: het zal daar lustig kluizen = men zal elkander bij de ooren pakken.) Zie ook: kluzen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pluizen  , pluuze , pluizen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pluizen , plüüzen , zwak werkwoord , Het berre plüüst: het bed laat veren door
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pluizen , pluzen , stormen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
pluizen , pluze , werkwoord , Variant van pluizen. Vgl. Fries plûzje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pluizen , plûze , oêthale ván drödjes oêt en lake um die ópperni-jd te gebroêke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
pluizen , pluzen , ploezen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook ploezen (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. pluizen afgeven Die vloerbedekking pluust geweldig (Man), Wat pluzen de popelieren weer (Eev) 2. knabbelen, niet vlot eten (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Ie kunden an het peerd zien, dat hij niet deugde; hij zat mar in het heui te pluzen (Hav) 3. friemelen (Zuidoost-Drents zandgebied) Kwaojonges kunt niet stil zitten; ze mugt geern overal an zitten te plukken en te pluzen (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pluizen , pluzen , zwak werkwoord, overgankelijk , (uit)zoeken Wat muj daor in de kaste te pluzen (Ruw), Hij zit elke aovend in olde aktes te pluzen (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pluizen , plûzen , werkwoord , pluizen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pluizen , pluzen , pluuizen , werkwoord , 1. aan, tot rafels, pluisters, vlokken e.d. trekken 2. peuteren 3. knagen: d.i. het vlees van een bot of been 4. met lange tanden eten, traag eten 5. lekker eten 6. pluisters, pluizen afgeven 7. zeer nadenkend, knobelend bezig zijn met iets om het op te lossen, om het na te zoeken, onderzoekend lezen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pluizen , pluzen , (werkwoord) , plös/pluust, pluzen, eplöz , pluizen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pluizen , ploeze , uit elkaar rafelen van stof, bij een klein lapje stof de draden één voor één uittrekken, zodat er alleen maar losse draadjes overblijven , op de bewaorschool bij Sûr Martina ljeerde jil de Beek, of ’t nou jonges of mèskes ware, ploeze = op de kleuterschool bij Soeur Martina leerde heel de Beek ploeze, of ’t nu jongens of meisjes waren- ; wat de zusters er dan verder mee deden weet ik niet: mar ik denk da d’ut gebrûkt wier om kussus op te vulle = maar ik denk dat het gebruikt werd om kussens op te vullen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
pluizen , pluze , pluustj, pluusdje, gepluusdj , pluizen , Det is eine sjoeane trui, mer dae pluustj waal erg.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pluizen , plèùze , sterk werkwoord , pluizen; WBD III.2.3:11 'pluizen' = peuzelen; plèùze - plôos - geplooze (overgankelijk) geen vocaalkrimping; Anoniem – 1959 – ; Toen ging ie mee bukkum leure; mee de kreugel van de buur; Jaans pluisde wol, deej stukke; 't was genog vur brood en huur. (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie); plôos; ploos, pluisde; Dirk Boutkan (blz. 40) plosde/ ploosde (met of zonder vocaalkrimping); verleden tijd van plèùze
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal