elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plukken 

plukken , plukken , 1) berooven, plunderen, oplichten, vooral in rechtsgedingen; 2) rooiën.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
plukken , plükken , (zwak werkwoord) , plukken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
plukken , plōkken , plukken; tegen iets moeten plōkken = hard werken, om bv. aan den kost te komen, om eene vereischte som bijeen te brengen, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plukken , plokken , plukken , (zwak werkwoord, transitief) , Plukken. Zie de wdbb. De vorm plukken is bij het volk weinig gebruikelijk. || ’t Ben mooie bloempies as ze ’eplokt bennen (van kinderen, na een zware bevalling). ’t Gras is zo taai, de koeien kennen ’et haast niet plokken. (Hy) kaeuwden wederom de spijs (gelijk ’t de koeyen is haer wijs) die hy te vooren had geplokt, en grof, en raeuw had ingeschokt, SCHAAP, Bloemt. 123. De jonge kat krijgt melk zadder en toch plokt-i zen moeder altijd zo (toch zuigt hij nodeloos bij zijn moeder, zodat deze er van verzwakt).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
plukken , plokke , Plokke, heef geplokke (appels, peren).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
plukken  , plökke , plukken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
plukken , plukke , plook, geploke , plukken, plukte, geplukt.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
plukken , plokke , werkwoord , Plukken. Zegswijze de hooiberg plokke, de kanten van de hooiberg gelijk maken door het uitstekende hooi weg te plukken. – D’r valt niks te plokken ofte pluizen, er valt niets te erven, niets te verdienen, er schiet niets over. Vgl. Fries plôkje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
plukken , plukke , wieden, onkruid uittrekken met de hand.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
plukken , plukken , plokken , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook plokken (Zuidwest-Drenthe) = 1. plukken Nao de schole moe’k eerst knieneblad plokken (Die), Wij heufden dit jaor gien appel plukken, der zat niks an (Hijk), Die hef ien van de vieve hen heide plukken hij is niet goed wijs (Geb), Uut vervelendigheid zat e aan zien trui te plukken (Erf), Het vet van de darms plokken (Hav), Veurdaj spinnen kunt, mut de wol eerst oet mekaar plukt worden (Scho), Die jong zit aaltied in het haor te plukken (Zwig) 2. veren uittrekken Helpst mie even die huinder plukken? (Bov), (fig.) Die huusholdster hef hum eplokt van geld beroofd (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plukken , plukken , plukken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
plukken , plukke , plukken , Ge kunt van 'n kaol kiep gin vèère plukke. Je kan van een kale kip geen veren plukken. Daar is niets meer te halen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
plukken , plokken , plukken , werkwoord , 1. afbreken, aftrekken van bloemen, takjes, vruchten 2. de opbrengsten, voordelen van iets nemen, benutten 3. lostrekken, uit of van iets trekken, aan iets trekken 4. in een kiepe plokken de veren uittrekken 5. op ongeoorloofde of onredelijke wijze geld afnemen, te veel laten betalen, bijv. Ze hebben ’m aorig plokt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
plukken , plokke , werkwoord , plok, plokte, geplokt , plukken Je ken van een kikker gêên veere plokke; Haer plokke en gêên jonge Veel werk en weinig resultaat
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
plukken , plukke , plukken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
plukken , plok , plukte , hij hèt un kiest père geplokke hij heeft een kist peren geplukt
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
plukken , plökke , plöktj, plok/plökdje, geplokke/geplöktj , plukken , Ein hampel kese plökke. Ein hoon plökke. Van eine kale kwakker(t) kóns se gein vaere plökke. Wae kónne ane twieëdje plök beginne.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
plukken , plukke , sterk werkwoord , plukken; WBD veevoer verzamelen, ook 'blaaje' genoemd; Dialectenquête 1876 - de jungskes hebbe blumpkes geplòkke; De Wijs  – Der slinten der zoveul aon, dek ze nie geplokken kon krège (feb. 1962); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de gèlste pèère wòrren et irst geplòkke (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1970) - de gekste lopen het eerste tegen de lamp. B - plukke - plok - geplokke; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - GEPLOKKEN: 3e hoofdvorm van 'plukken'; plok; oude verleden tijd van 'plukke'; …en ik plok uuverig verder. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
plukken , plukke , plók – geplókke , plukken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal