elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: poel 

poel , [poezelig] , pol , Tw. poezelig. Osnab. se pulet sik, zij liefkozen elkander. L. F. Myn poele, mijn liefje!
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
poel , [lokroep; koosnaam] , poeleke , Een der liefelijke woordjes, welke minnenden elkander, vooral aan meisjes geven. Van de kinderen werd het op de vrouwen overgebracht.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
poel , pullen , pullekes , op andere plaatsen poelen of poeliën, noemen de boerenlieden alhier de jonge hoenderen. Meer dan waarschijnlijk komt het van het Fransche poule en het
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
poel , [koosnaam] , pûle , pûleken , (vrouwelijk) , [weinig gebruikelijk] liefje.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
poel , pôl , (mannelijk) , poel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
poel , pûle , (vrouwelijk) , pûleken , liefje.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
Poel , Poel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Naam van een diepe inham der Zaan bij het Kalf. Vgl. SOETEBOOM, S. Arc. 383. || Een molen, staande aan de Poel. Voor-Zaen, acher-Zaen, Poel ofte Wormer, LAMS 322 (a° 1628). Vgl. de samenst. Poelweer. – Ook een meertje onder Wormer, aan het begin van het Zwet en door een sluis in verbinding staande met de Zaan. || Een stuk land op de Poel. Benoorden het Dorp in een Meirken, genaamt de Poel, SOETEBOOM, S. Arc. 601. De Poel, LAMS 439 (a° 1608). Vgl. de samenst. Poelven. – Onder Assendelft is een voetpad genaamd het Poelerpad, lopende van de weg naar de boerderij de Poel nabij de Poelerbraak, een oude braak achter de Assendelver zeedijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
poel  , pool , peulke , poel, Einen hiële pool, Een groote hoeveelheid drank drinken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
poel , poel , poele, pooul, pool, pole, poul, poule , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook poele (Zuidwest-Drenthe), pooul (Midden-Drenthe), pool (Midden-Drenthe), pole (Zuidwest-Drenthe), poul (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), poule (Veenkoloniën) = 1. poel, plas Deur aal die regen stun der een beste pooul waoter veur de deur (Eex) 2. grote hoeveelheid vloeibare stoffen (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Die koe gef een beste pooul melk (Anl), ...een mooi poulie (Eel), Hij pist een dikke poel (Sle), Een poule waoter (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
poel , poele , zelfstandig naamwoord , de 1. poel, plas 2. flinke hoeveelheid melk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
poel , poel , zelfstandig naamwoord , poele , poelechie , [O] bloeiwijze van de lisdodde Zie pielepoel Ook pielepôôt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
poel , poel , zelfstandig naamwoord , poele , poelechie , [Ndp] pul, eendenkuiken We hebbe al een eend met poele gezien De kindere riepe ‘poele, poele’ om de klaaintjies te lokke
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
poel , poel , waterkuil
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
poel , poel , 1. bult; 2. eend.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
poel , poeleke , polleke, pul , zelfstandig naamwoord , jonge kip (Tilburg en Midden-Brabant); poeleke; kinderhandje (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Land van Cuijk); polleke; kinderhandje (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant) ; pul; jonge kip, jonge meid (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
poel , poelie , zelfstandig naamwoord , jonge kip (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
poel , pool , (vrouwelijk) , peul , peulke , plas, poel , Nao die bies raengel stónge väöl peul oppe waeg. Val mich neet inne pool!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Poel , Poel , eigennaam , de Poel, GG wijk bij Korvel, omgeving vroegere Poelstraat (thans: Tafelbergstraat)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
poel , poel , zelfstandig naamwoord , poeleke , WBD jonge kip; WBD poel poel poel, eend, ind - roepwoorden voor de eend; hiernaast zijn daarvoor gangbaar: 'woele woele woele woele' en 'endvoogel'; WBD III.4.4:180 'poel' = kreek; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - POELEN of POELIËN noemen sommige buitenlieden de hoenderen; anderen verstaan eronder 'krieltjes'. Z.a. Str. poel (1+29); WNT POEL - in zuidel. dialecten: kuiken v.h. vrouwelijk geslacht.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
poel , pao~l , poel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal