elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: poet

poet , [slag] , poete , klap met de hand. Poete um d’oren, oorvijg. Holl. poets, slagen. Isl. pûstr, oorvijg.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
poet , poete , morspot, smeerlap. O dou poet, O dou piet! O, gij morspot! Smêrige peter! poeterig, pieterig, morsig. Pl. d. pötern, vervuilen. Hamb. verpetern. Holl. verpieterd, verflensd, uitgerammeld. Pl. d. verpöterd gesicht, vervallen, uitgemergeld gelaat. L. F. poätterig, haveloos. Isl. puta, hoer. Fr. putaine. Geld. meerpoete, gemeene visch. Oud Holl. pute, kikvorsch. Pl. d. puutje, slet, morsige vrouw. Zw. Put, stinkpoel. Isl. pedra, bezoedelen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
poet , [slag] , pûte , (mannelijk) , [weinig gebruikelijk] slag.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
poet , [slag] , pûte , (mannelijk) , slag.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
poet , pûte , (vrouwelijk) , in de pûte kommen, in verval geraken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
poet , bōssen , kuren, ook: snaak, snuiter; “Ze holl’n ’t veur zōk mien lijve man, Al zōkke soort van bōssen”, (E. Koch). Wellicht eene verbastering van: potsen, poetsen = trekken, snakerijen, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
poet , püteken , Poetje, liefkoozingsnaam voor een kind.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
poet , poet , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Meestal in verkl. poetje, Vleiwoordje. Lieveling, snoes. || Lekkere poet, ik moet je nog ’ers anhalen. – Ook van personen of zaken, die lief en klein zijn. Snoesje, beeldje. || ’t Kind van Aal is toch zo’n poetje. Kijk ers wat ’en poetje van ’en armbandje. – Poet is ook elders in Holl. bekend. Eveneens is pûtje in Oost-Friesl. een vleiwoordje voor een kleine kat of een klein kind; vgl. KOOLMAN 2, 780 op puthenne. – Het woord poet heeft niet altijd een gunstige bet. gehad. In de 16de e. werd het gebezigd in de zin van hoer. Waarschijnlijk is het ontleend aan het Spa. puta; vgl. VAN LUMMEL, N. Geuzenliedboek, no. 123, waar “Spaensche poet” voorkomt naast “Spaensche hoer”. – Zie ook poeteloet en poeterig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
poet , poetie , liefkoozend woord, vooral tegen kinderen; Nederlandsch (gemeenzaam) poetje; misschien het Hoogduitsch Putte = gebeeldhouwd kind of engeltje, en dit weer van ’t Italiaansche putto.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
poet , pü̂teken , Poetje, liefkoozingsnaam voor een kind.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
poet , poet , gebonden pak lompen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
poet , poedie , meisje, meer in het bijzonder het meisje waarmee men verkering heeft
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
poet , poetje , klein paerd.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
poet , poetje , roepnaam voor het veulen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
poet , poetje , zelfstandig naamwoord , poetje. Vangspel waarbij één speler begint. Zodra er iemand gevangen is gaat die meevangen, waarbij hij de eerste vanger bij de hand moet houden. De derde gevangene wordt er eveneens bijgevoegd, zodat op de duur een ketting van vangers ontstaat. Maar alleen nummer één mag aftikken. De keten probeert de overblijvers in te sluiten, maar deze mogen de keten doorbreken. Wie het laatst overblijft is de winnaar.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
poet , poet , pal: de koe bleef poet stoan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
poet , poete , poeter , de , poeten , (Zuidwest-Drenthe). Ook poeter (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = smerige, slonzige vrouw Wat een vieze poete, dat meine (Ker), Een gèle poete, die vrouwe vrouw met geel gelaat, ook gezegd als de tint gevolg is van onreinheid (Rui), z. ook poete I, Zo’n kedoezien van een wiefien, zo’n poetertien (Zdw) 3. stijfkop (Zuidwest-Drenthe, zuid), z. ook poedel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
poet , poete , tussenwerpsel , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = roepwoord voor (jonge) poes, z. ook poes I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
poet , poeterd , (zelfstandig naamwoord) , iets groots, joekel. Dät is mi’j een poeterd van een stien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
poet , poetje , jong poesje, een katje, jonge poesjes werden vroeger geroepen met pieteke, pieteke, pieteke of poeteke, poeteke, poeteke met de nadruk op de eerste le
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
poet , poet , poetje , geen vuile vrouw, maar wel een vrouw die het met de hygiëne niet zo nauw nam, ook een vrouw die er erg onverzorgd uitzag kreeg die naam , da’s nao d’r trouwe toch ’n poetje geworre = dat is nadat ze getrouwd is toch ’n onverzorgde, slordige vrouw geworden-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
poet , poeten , oogdrek, slaap in de ooghoeken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
poet , poet , (vrouwelijk) , poete , kind , Die haje dao väöl poete.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
poet , [onverzorgd kind] , poetje , (onzijdig) , vies, onverzorgd kind , Det is ei vèttig poetje!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
poet , poetje , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , slecht verzorgd meisje; Henk van Rijen –  poesje, koosnaam voor vrouw; Henk van Rijen –  'vööl poetje' - viespoes, slordig mens; WBD (III.2.1:497) poetje, poesje, poes, poes poes = roepnaam v.d. kat; ook wies, minneke, mauwtje en toetje; WNT POET (II) 4. als vleinaam: b) gebezigd met betrekking tot een klein kind of een geliefde. Lief aanvallig kind of jong meisje, lieveling. 5. Als benaming voor een lichte vrouw: hoer. Wellicht in deze opvatting onder invloed van spaans 'puta'. 6. Vuil, goor vrouwspersoon.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal