elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: poffer

poffer , poffert , (mannelijk) , podding.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
poffer , poeffer , slechte betaler.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
poffer , póffer , 1) kroon of krans van kunstbloemetjes, kralen, geplooide tule enz. die op de witte kanten muts wordt bevestigd; 2) grote witte muts waarop een dikke hoefïjzervormige krans met afhangende linten wordt gedragen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
poffer , pòffer , zelfstandig naamwoord , poffer. De pòffer was het pronkstuk van de kleding der boerenvrouwen. Hij bestond uit een gazen ondermuts waar de eigenlijke muts (de bòjem) overheen gelegd werd. Deze was gemaakt van kant. Daarover werd de eigenlijke pòffer gelegd. Hij werd met bandjes achter het hoofd bevestigd. De pòffer is een dikke wrong die vooral uit kunstbloempjes (van tule of kant), franjes en kraaltjes bestaat. De bloempjes zijn lichtroze, bleekblauw of bleekgroen, maar het geheel maakt toch een witte indruk. De poffer eindigt aan de achterzijde in twee brede, witte of ivoorkleurige linten die in franjes uitlopen en op de rug afhangen. Bij uitvaarten werd de rouwpòffer gedragen, die geheel wit en soberder was. De kostbare stoffen die er in verwerkt waren en de omvang maakten de muts tot een symbool van de welvaart van de draagster. De poffers waren zo gecompliceerd dat het wassen en opmaken werd toevertrouwd aan vrouwen die daarin gespecialiseerd waren. Vanwege zijn omvang was de poffer een onpraktische dracht. Hij werd dan ook alleen gedragen bij feestelijke gelegenheden en bij het ter kerke gaan. Kort na Wereldoorlog II zijn ze in Beek verdwenen. Pietje Prinsen-Bos uit het Groot Loo en de wed. Smolders-van Wijk van de Diessenseweg waren de laatste vrouwen die zich sierden met deze indrukwekkende dracht. Thans kunnen de poffers nog slechts bewonderd worden in het Museum De Doornboom. Ook bij folkloristische demonstraties worden ze nog wel eens uit de mottenballen gehaald.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
poffer , pofferd , de , pofferds , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = klap Hij gaf hum een pofferd veur de kop dat het zo knapte (Hgv), z. ook bafferd
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
poffer , póffer , strook met linten, veren en bloemen, boven op de muts bevestigd. Door boerinnen gedragen. Vaak wordt ook het hele hoofddeksel als zodanig genoemd.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
poffer , pôffer , Brabantse muts
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
poffer , póffer , zelfstandig naamwoord , grote pronkmuts voor vrouwen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
poffer , poffer , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen –  Brabantse vrouwenmuts; WBD III.1.3:194 'poffer ' = witte kanten muts met sierkrans; 193 'poffer ' = poffermuts; Jan Naaijkens - Dè's Biks – 'poffer' zn - poffer, vrouwenmuts
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal