elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pangelen

pangelen , [kwanselen] , pangeln , schacheren; zie: pangeler.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
pangelen , pangêln , panjêrn (Stad-Groningsch) = ruilen zooals de pangeljeud (kleerkoop) doet, die van alles zijne gading maakt; inpangêln = inruilen, door ruilen verkrijgen; verpangêln = verruilen, zich door ruilen van iets ontdoen; pangelder = die veel van zulk ruilen houdt en er dikwijls gebruik van maakt. Drentsch pangeler, pengeler = schacheraar; Oostfriesch pangeln = schacheren. – Zal samenhangen met: pōng = buidel, zak; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pangelen , pôngele , rommelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pangelen , pangeln , handelen op minderwaardige wijze, zonder bepaald bedrog te plegen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
pangelen , pangeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , handelen, afdingen, marchanderen Die möt aaid pangeln, die prebeert er aaid wat of te kriegen maar: Bi’j weer an het pangeln west met die knikkers? knikkers geruild (Sle), z. ook pingeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pangelen , pangelen , pengelen, pingelen , werkwoord , kwanselen, nu weer eens dit, dan weer dat kopen en verkopen, verhandelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal