elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pootje 

pootje , pootje , voor podagra of voeteuvel, een niet zeldzaam gebrek bij lieden, die veel gereisd en vooral goeden sier gemaakt hebben.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pootje  , puëtje , pootje. Et puëtje hebbe, podagra.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pootje , potien , zelfstandig naamwoord , et; pootje: kleine pote, bijv. in Toe hond, geef es een potien; ook: voetje, beentje van een kind
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pootje , potje , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , pootje; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as ge meegaot, meude en pótje vaasthaawe ('64) - antwoord op de vraag 'Wat ga je doen?'; WBD III.1.2:312 'pootje' = voetjicht (podagra); verkleinwoord van 'pôot', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal