elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: portret 

portret , petret , portret. Ook voor: persoon, naar hare (ook wel: zijne) gelaatstrekken, het gelaat beoordeeld; ʼn lelk pertret (van ʼn wief) = eene lelijke vrouw. Vgl. petuur.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
portret  , pertret , portret.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
portret , petret , onzijdig , portret; ’n raar petret: een wonderlijk iemand.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
portret , portret , op portret gaan, zijn portret laten maken.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
portret , portret , v , raar meisje ’t Is mar ’n aorig portret Het is maar een raar meisje [neg.]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
portret , petrét , zelfstandig naamwoord ’t , Portret, in de zegswijze ’n mooi petrét, een grapjas, een rare snijboon. – ’n Lastig petrét, een lastpost.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
portret , petret , portret.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
portret , petret , portret , de, het , petretten , Ook portret = 1. foto Wij moet nei week met de hiele femilie op ’t petret (Hoh), Ik bin op ’t petret ekomen (Hol) 2. van een persoon Wat een raor petret van een kerel (Erf), Wat veur maal petret is dat lelijke vrouw (Gas), Wat een wies, ...mooi, ...gemien petret (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
portret , portret , foto.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
portret , petret , portret.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
portret , pertrèt , portret , Héd'de 'n pertrèt laote vérreve, és gi dé moet zén dan trèk'ter wél iet óp. Heb je een portret laten schilderen, als jij dat moet zijn dan lijk je er wel iets op.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
portret , petret , zelfstandig naamwoord , et 1. foto (vooral: van één of meer personen) 2. afbeelding anderszins van voornamelijk het gezicht van personen 3. persoon, mens (vaak in enigszins negatieve zin)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
portret , petret , zelfstandig naamwoord , petrette , petretjie , portret Die maaid is wel een lastig petret hoor!
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
portret , p’rtrèt , foto
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
portret , petrèt , vrouw, portret , Schòn petrèt. Vrolijke, koddige vrouw., Lâstig petrèt. Hinderlijke, vervelende vrouw.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
portret , pertrèt , portrèt , (onzijdig) , pertrètte, portrètte , pertrètje, portrètje , 1. foto, portret 2. persoon
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
portret , petrèt , pertrèt , zelfstandig naamwoord , portret; met een bijvoeglijk naamwoord gebruikt om iemands karakter aan te duiden; Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): petrèt; De Wijs – ‘tis ’n schôôn portret (17-08-1964); Ik hèb et naa dè laastig petrèt/ vandaog es goed gezeej. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Wèn lèf haj‘); Opt list vond ik nòg en petrèt/ van ons (toen we nòg vreeje)/ Wè waare we tòch en stuup paor.../ Mar... dès vort lang geleeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wètter was); Èn dan ons mèdjes, petrètjes, blôozend èn gezond/ Lèkker mollig, aaltij lollig, zo ge ze nèrgens nie vond. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg op z’n bèst); Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): ''n middeljon meej men petret'; De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): peträt, zelfstandig naamwoord o petret - portret; portret; in overdrachtelijke zin: type, figuur; Cees Robben – [Vrouw over man:] De menne (...) des ’n schôôn pertret.. (19641023)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal