elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: post 

post , post , blok of wortel van een’ struik, de penwortel of blok van een’ boom.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
post , pöste , van iemand die niet veel uitgaat, zegt men: hi blif bí’j de pöste.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
post , post , (mannelijk) , posten , een houten beun, een losse brug, beweegbare voetbrug, die gedragen en spoedig weggenomen kan worden. Op dorpen waar niet gereden kan worden, zijn dergelijke posten onmisbaar.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
post , pòst , (mannelijk) , pö̀ste , hé blif bî de pö̀ste, hij gaat niet veel van huis.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
post , posten , soort van dikke planken, korte, zware delen. Zie: ledderboomsplanken. (v. Dale: post = deurstijl.)
ijken posten; zware soort van delen voor bevloeringen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
post , post - peerde , in: te post en te peerde (tautologie) = zonder verwijl, met den meesten spoed; te post en te peerde gōng t’r op of.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
post , post , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vroeger ook onzijdig – 1) Vlonder, een stevige plank die als voetbrug dienst doet. Ook: de planken, waarmede een voetbrug gedekt wordt en die weggenomen kunnen worden, als er een hooggeladen schuit passeren moet. Op de posten zijn soms richels of dwarshouten gespijkerd; te Assendelft spreekt men echter in dit geval niet van post, maar van vlonder. || Leg maar ’en post over de sloot. Meede sullen de weelen, die voortaan nieuw gemaekt of gerepareert werden, moeten gemaekt werden met een gelydelyke op en overgang en de posten niet hooger als 4 voeten uyt gemeen soomerwaeter mogen leggen, maar wel laeger, Hs. Keur v. Westzaanden (einde 17de e.), archief v. Wormerveer. Schout en Schepenen …Ordonneren ende Keuren midts desen, tot gerief van de Hoyers, … van den eersten Juny af tot half July toe, in plaats van de Posten, over de Dijcksloot gelegen, te leggen losse plancken (keur van Oostzaanden, a° 1629), LAMS 710. En sal niemandt posten uytwerpen, leenen breecken, by dage noch by nachte (idem, a° 1644), LAMS 722. Op de royingh van het schoeywerck van de Plempdyck en daer het post leght, daarmen de beesten als anders overscheept, Koopbrief (Wormer, a° 1673), Zaanl. Oudhk. – Evenzo elders in N.-Holl. || Als een schaap over de post is zo volghenze al, SPIEGHEL (ed. VLAMING), 268. Alle die sluyse in Westende sullen altijt vol van posten wesen (keur van Enkhuizen, 15de e.), Wfr. Stadr. 2, 220 var. Ende so sullen alle die sluisen in der stede elcx twie guede leenen hebben, ende also veel posten dat die sluisen binnen die III stylen wel gedect sijn (keur v. Grootebroek, 15de e.), ald. 256. – Verder is post, vlonder, ook gebruikelijk in Friesl., Gron. en Oost-Friesl.; reeds in het Ofri. post. – Het is hetz. woord als Ned. post, deurstijl; zie de wdbb. – Vgl. raampost. 2) De plank met richels, die schuin tegen een der bovenzijden van een boereplat gelegd en daaraan met haken bevestigd wordt, en die als loopplank dient voor het vee, dat uit de schuit op het land wordt gebracht of van het land in de schuit. Men zegt in dezelfde zin ook koepost; zie aldaar. – Evenzo vindt men een schuinliggende post in een schouw, voor het op- en afrijden der rijtuigen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
post , post , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Bij de papiermakerij. De stapel papier, die tegelijk onder de pers gebracht wordt. De geschepte vellen worden op vilden gelegd en opgestapeld (zie koetsen), waarna de stapel geperst wordt. Het hangt van de dikte van het papier af uit hoeveel vilden een post bestaat; gewoonlijk echter uit 120 of 130 vilden. Zo spreekt men ook van een post vilden, d.i. zoveel vilden als er nodig zijn om een post te vormen. || We hebben nog zes posten vilden leggen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
post , post* , bij v. Dale = deurstijl, vandaar: deurpost.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
post  , pos , post.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
post , pòs , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pùste , pùsjen , steunbalk. Binn de pùste bliewn, thuis blijven; nen pòs um zik an te skobm, iem. die men de schuld kan geven
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
post , poste , zware brede plank (b.v. loopplank naar schip, misposte)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
post , pos , post , zelfstandig naamwoord de , Zie possie. Vgl. Fries post.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
post , possie , zelfstandig naamwoord ’t , Loopbruggetje, losse brug, vlonder.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
post , poost , postbode; poost bèrt “postbode Bert”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
post , post , zelfstandig naamwoord , post. Het deel van een boom met wortelgestel dat overblijft als de boom is omgekapt of omgezaagd. Eèkeposte brande vergimmes goed. Mar ’t valt nie meej òm ze klèèn te maoke. Eikenposten branden verdraaid goed. Maar ’t valt niet mee om ze te kloven.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
post , pos , pössie , paal.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
post , post , poste , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook poste (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. paal, stijl Hij stum met de rugge tegen de post (Sle), Hij mut mij niet weer binnen de posten kommen in mijn huis (Ndo) 2. dikke kruiplank De post op de mestbult is spekglad (Bov), vooral ook als kruiplank in de veenderijen Een post haden ie, as ie over een losse putte krooien mussen (Bov), Een post was een dikke plaanke, die van het hoge naor het lege gebruukt worde (Eli), De post was de eerste van de koele of (Klv), De post was bie graven veur de börst, de krooiersplank bie slingerwark (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
post , post , de , 1. posterijen Hie warkt al jaoren bij de post (Wee) 2. postbestelling De post is nooit zo vrog (Sle), Ik heb het mit de post kregen (Klv) 3. postbode Dat hef de post mij ebracht (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
post , post , de , posten , bedrag Dat bunt posten, dei altied weerumme kaomt (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
post , post , de , (glasbl., db:Nbui) = eerste hoeveelheid ‘Het glas voor een zware fles wordt in twee keer aangevangen. De eerste hoeveelheid heet post’ (db)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
post , pòòst , 1) post; 2) deurstijl.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
post , pòst , post
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
post , pòste , paal
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
post , pos , post (betrekking). Hie hef ’n lastege pos ehad.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
post , pos , post. (posterijen). ’s Mârgns wordt de pos ebrach.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
post , pos , pössien , paal van een afrastering. De possn langs de weie bint in de regel eikn possn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
post , post , zelfstandig naamwoord , de 1. briefpost e.d. 2. postdienst, de posterijen 3. postbode 4. postbestelling, het meenemen van post door een postbode 5. postkantoor 6. kruiplank 7. hetzelfde als stalpost 8. elk der dikke planken, kleine balken van zo’n 6 cm dik en 10 cm breed op een brug 9. positie, plek van waaruit men kan bewaken, opereren 10. afzonderlijk benoemd bedrag op een rekening, in een boekhouding, op een begroting, in een jaarverslag e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
post , poast , post
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
post , pos , poste, post , (afrasterings)paal; postenholt, hout voor de afrastering (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
post , possen , posten , dikke benen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
post , pos , post , (mannelijk) , 1. post 2. postbode , Höbs se de breef oppe pos(t) gedaon?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
post , pòst , zelfstandig naamwoord , post; Cees Robben –  te pòst èn te pèèrd trouwe - heel vlug; Pierre van Beek – Ik zal et te pòst en te pèèrd doen - onmiddellijk (TT); Henk van Rijen –  te pòst èn te pèrd te vèld - op stel en sprong erop uitgaan; WBD III.4.3:59 'post' = boomstronk; WBD III.3.1:438 'post' = idem; WNT XIIII, kol. 3590: Ook in de verbinding 'te post en te paard' = zonder verwijl. Te post en te paard reizen. A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - pòst, zonder rekking (blz. 107)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
post , possie , politiepost
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
post , poes , puus , boomstronk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal