elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: postuur 

postuur , pestuur , bestuur , (= postuur), in: oet pestuur wezen, van personen en dingen, zooveel als: niet in volmaakte orde, niet zooals het behoort; de moag oet pestuur (= oet stuur) hebben = voor ʼt oogenblik aan eene gebrekkige spijsverteering lijden; zij zet zōk in pestuur = zij neemt eene deftige, waardige houding aan; ʼt is ʼn roar pestuur = zij heeft geen fraaie leest.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
postuur  , posteur , postuur.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
postuur , bestuur , zelfstandig naamwoord ’t , Dialectische variant van postuur.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
postuur , postuur , pestuur , het , Ook pestuur = 1. postuur, gestalte Dei jong hef een flink postuur, hij mot mar soldaot of veldwachter worden (Bco) 2. persoon Wat een lastig postuur, aj mit hum te maeken kriegt (Dwi), Dat is zo’n vervelend pestuur (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
postuur , pestuur , (zelfstandig naamwoord) , postuur.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal