elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: praatje 

praatje , proatje , in: hij ’s om ’n proatje verlegen = zijne gesprekken zijn praatjes voor de vaak, hij praat om te willen praten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
praatje  , pröötje , praatje.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
praatje , pröötien , onzijdig , praatje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
praatje , prùetjen , zelfstandig naamwoord, onzijdig , babbeltje; prùetjens maakng, verwijtend toespreken, ten onrechte
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
praatje , praotjes , grote mond praotjes hébbe Een grote mond hebben.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
praatje , praatje , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze gien praatje zô groôt, of ’t bloedt in drie dage doôd, men praat weer gauw over wat anders, laat dat tot troost zijn. Elders komt de zegswijze voor met de variant ‘in acht dagen.’ – ’t Gaat niet mit ’n praatje, gezegd als een tegenspeler bij het kaarten aan zijn maat een hint geeft. – Deer zit ’n praatje an, dat is geen zuivere koffie. | An die trouweraai zit ’n praatje. Meervoud praatjes, in de zegswijze praatjes as ’n krengeslachter en ’n buul net zô dik, gezegd van een opschepper. Men bedenke hierbij dat een krengenslager doorgaans een krappe geldbuidel of portemonnee had.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
praatje , prötje , waarschijnlijk onwaar bericht.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
praatje , pröaties , praatjes.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
praatje , prootien , het , prooties , Var. als bij proten = praatje Het bint bliekbaar prooties (Dwij), Vertel die prooties non mor niet wieder (Hijk), Hij zit nooit om ein praotje verlegen (Erf), Die hef altied zien praotie klaor, zo gek kan het niet wezen (Geb), z. ook bij proot
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
praatje , preutien , praatje. Hie is um ’n preutien verlèègn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
praatje , prôtjes , praatjes , Strak zul'de dur de kerdóns moete, dan zul'dew prôtjes waor moete maoke. Straks zal je door het cordon moeten dan zal je, je praatjes waar moeten maken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
praatje , praotien , zelfstandig naamwoord , et 1. praatje, klein, onbelangrijk gesprekje 2. wat iemand zegt, het gesprokene 3. verzinsel, gerucht 4. causerie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
praatje , praotjies , uitdrukking , Dat zijn allemel praotjies voor de vaok Dat is alleen maar gepraat zonder daadwerkelijk iets te zeggen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
praatje , un prötje maake , een praatje maken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
praatje , prötien , (zelfstandig naamwoord) , 1. praatje. Uitdr.: Oew prötien is wel goed maer oew smoesien deugt niet; 2. (mv. pröties) geklets.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
praatje , [gesprek] , prôt , pròtjes , praat, gesprek , Dè’s de prôt. Zo doet het praatje de ronde. , We hén goeje prôt gehad. We hebben goed zitten buurten., Dè’s prôt vur de vôk. Dat is praat voor de vaak. Het is beuzelarij., Veul pròtjes hébbe. Veel praatjes hebben. Brutaal zijn.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
praatje , pròtje , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , praatje; ...en hoe gezellig dè ge daor op dè bènkske in protje kost maoke! (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - en Tilburgs pròtje duurt mar drie daog(e) (SV '75) - roddelpraat duurt niet lang; Henk van Rijen –  et smoesje is goed mar et pròtje dugt nie; WBD III.3.1:255 'praatje', 'roddel' = praatje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
praatje , präötje , präötjes , praatje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal