elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pracht 

pracht  , prach , pracht.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pracht , pracht , pracht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pracht , prach , pracht.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pracht , pracht , bijvoeglijk naamwoord , zeer fraai, geweldig goed, mooi
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pracht , pracht , zelfstandig naamwoord , de 1. schitterend exemplaar, in verb. als Wat een pracht van een boom! 2. iets prachtigs, schoons, in pracht en praol 3. schoonheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pracht , praacht , zelfstandig naamwoord , pracht; MP gezegde -  Òn et dörp de praacht, mar hier de maacht. (gezegd van Goirkenaren: het geld was op 't Goirke te vinden); Cees Robben –  vól praol èn praacht; Cees Robben –  'zonder praol of praacht'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal