elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pronk 

pronk , prōnk en stoat , tautologisch voor: pronk, opschik, van vrouwen steeds met ongunstige beteekenis; zij holt te veul van pronk en stoat = zij kleedt zich boven haren stand en legt daaraan veel geld ten koste.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pronk  , prônk , Op de prônk staon, op de kijk staan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pronk , proonk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pronk; proonkstat, nuf
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pronk , pronk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = mooi Dat is een pronk vrommes (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pronk , pronk , de , pronk Het stiet er allèn veur de pronk, gebroeken doew het niet (Pdh), Dat mèense hef de pronk an de beste kleren etc. (Hgv), Zij hef aaid een koppel pronk op de bozzem staon (Eex), Ie snapt niet, waor ze het van doet, het is allemaol pronk en staot (Hijk) *Van baoven pronk, van ondern stront (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pronk , pronk , zelfstandig naamwoord , de 1. praal, fraaiheid, sier 2. prachtig, pralend iets 3. fraaie kleding, de mooiste, beste kleding die men heeft
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal