elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pront 

pront , pront , juist, naauwkeurig.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pront , prōnt , prompt, stipt, nauwkeurig; dank joe veur de prōnte betoalên (betaling); hij het alles prōnt betoald; hij komt altied prōnt op tied. Vgl.: prool. In ’t Brugsche Vrije pront, Fransch prompt = veerdig. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pront  , prônt , puntelijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pront , pronte , m , ’t Is ’ne pronte Hij is snel van handelen en/of begrip.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pront , pront , bijvoeglijk naamwoord , Flink, keurig en net. Uit Frans prompt. | ’t Is ’n pront woif.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pront , prontje , proentje , bijvoeglijk naamwoord , Kwaad, opvliegend (verouderd). Het woord is mogelijk ontstaan uit Frans prompt ‘bij de hand, gereed’, hier in de negatieve zin van: terstond gereed om kwaad te worden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pront , proont , fleenk.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
pront , prònt , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , prompt, degelijk. 1. Prònte minse zijn degelijke, eerlijke mensen. 2. ’n Prònte vrouw is een vrouw die ook in de moeilijkste omstandigheden een welverzorgde huishouding voert. Een beeldje van zo’n ouderwets-degelijke vrouw staat in de Koestraat. 3. Als men keurig op tijd is is men prònt òp tèèd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
pront , proont , fleenk; proont óppen tîed: stipt.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
pront , pront , pronterig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook pronterig (Zuidwest-Drenthe, zuid) = keurig, netjes Ze komt pront veur de dag (Eli), Het was een pronte maaid (Row), Het is een pront wiefie, daor kuj wal van de vloer eten (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pront , pront , secuur.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pront , prónt , parmantig, precies , Dé's 'n prónt vrouwke lék ze dé zègge, goed verzörgd én aalté goeje zin. Dat is een parmantig vrouwtje zoals ze dan zeggen, goed verzorgd en altijd goeie zin.
We hôn ne bepôlden tiid afgesprooke, ik moet zègge dét'tie prónt óp tiid was. We hadden 'n bepaalde tijd afgesproken, ik moet zeggen dat hij precies op tijd was.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pront , pront , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , keurig, net
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pront , prônt , secuur
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pront , ‘n pronte madam , een flink mens, ’n dame
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
pront , pront , net-netjes , pronte mèèse = nette mensen/een nette familie- een pronte vrouw = een nette vrouw- da’s ’n pront mèès = dat is een nette vrouw- daor ist altij eve pront biene = daar is het binnen altijd even netjes-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
pront , prónt , degelijk, netjes , ’n Prónte vrôw. Een degelijke vrouw.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
pront , proent , prompt, nauwkeurig (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pront , pro(o)nt , bijvoeglijk naamwoord , flink, kordaat, keurig (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
pront , [netjes] , prónt , 1. netjes en correct 2. juist, net , Det is ei prónt maedje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pront , pront , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , "WTT-2012 - 'Pront' wordt meestal uitgelegd als zijnde afgeleid van het Franse prompt; het WNT heeft deze duiding echter al in 1942 genuanceerd in het lemma 'pront': ""In de dialecten [is 'pront'] de normale ontwikkeling van prompt, met overgang van m in n na de assimilatie van p aan t; wellicht heeft ook de Fransche uitspraak van prompt een zekeren invloed op de ontwikkeling gehad. Afgezien van een sporadisch gebruik in de 17de eeuw komt het woord niet voor het einde der 18de eeuw in de schrijftaal voor; thans heeft het nog een dialectisch tintje in tegenstelling met prompt dat tot de gecultiveerde taal behoort.""; ES - 2012 - In het Tilburgs heeft het woord vele nuances gekregen, die echter te verdelen zijn in twee woordsoorten met twee eigen betekenissen. 1. het bijvoeglijk naamwoord = Nederlands; - Zèède gij ene pronte meens ... - Ben je een oppassend iemand ...; 's Lieve Vrouw ha' zeuve vreugde' en; zeuve weeën in d'r hart; iedere pronte moeder krijgt zoo; van veul zuut en zuur d'r part. (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Pronte moeder’, 1938); Onzen Opa was vruuger unne pronte/ Stijle witte haor, stond 'em goed... (Tony Ansems, Gatvermiedenhoed;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010); De ouwere jonges, öt de buurt/ Ha'n aaltij kauwgum in dere mond/ En ze liepe aaltij pront/ Mee de schonste meskes rond... (Tony Ansems, ‘t Willeminapark; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009); - [aantrekkelijk in geldelijk opzicht] ...'nen pronten ongetrouwden dokter... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’De nuuwe dokter’; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 – 17-2-1940); Mientje van Kampen, krijgt tienduuzend mee en de kaast vol linnen, nou-en-of, 'n héél pront durske! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939); - [goede huisvrouw] ""Meens, meens, zuuk toch naor 'n pronte vrouw, dan komt er regelmaot in oe leeve!"" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’De nuuwe dokter’; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 – 17-2-1940); ...'n heel net meiske - en 't zal 'n pront vrouwke veur julliën Harrie worren. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938); - [goed van maatschappelijke stand] - Echt goei pront boerenvolk van den aawe stempel! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939); ...en ze zaag er om den doojen dood nie zoo slecht uit: et is 'n pront, net meiske, Anneke, dè is 't! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); ...mar hij kos as dokter toch slecht de dochter van 'n mutskesvrouwke trouwen, al waren et nóg zoo'n pronte lui. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); ""Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mèr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon."" (A.J.A.C. van Delft, uit: ‘Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect’; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956; Cees Robben – Den pronten staand van geene kaant (19570706) [de bemiddelde bevolking (fabrikanten) uit het noorden van Tilburg]; Cees Robben – ’n heel pront stel (19670428); Cees Robben – En van pronten en deftigen staand (19580308); Cees Robben – In elk pront Tilbörgs höshaawe daor hebbe ze unne frater, ’n non, ’n piano en ’n dochter die Miet hiet... (19690627); Cees Robben – Ons Too en ik zen wegge noemt/ Nog van d’n pronten staand (19700116); Cees Robben – Ons Sieleke is ’n pront mèdje en heeget himmol nie op mansvolk begrepen... (19790406); Cees Robben – Nie ont mar pront.... (19850830); Cees Robben heeft enige teksten geschreven op de melodie van het bekende Tilburgse lied ‘Zèède gij ene pronte meens’. Als opschrift van de Prent van 19700403 gaf hij deze wijze nadrukkelijk aan: ‘Op de wèès van: Zèède gij unne pronte meens...’; - Eveneens op deze wijze: Cees Robben – Reesde mee de BBA en zidde gatverdikke...?! Dan wierde gij toch ôk deurnat gatsamme... net as ikke... (19540828); Frans Verbunt – pronte staand - betere stand, beter gesitueerden; - [goed van karakter]; Anoniem – 1959 – ; Nillus probeerde van alle kaante; liep van hers naor geens; Hij ha goei haande aon z'n lèf; stond bekend als unne prompte meens. (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie); - Hij was aaltij op tèèd zó ast/ ene pronte meens beheurt. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Te veul... Bols); Twee hèùze vur ‘t Tresiaplèèn op aon hadde “tante Alie”. Mevrouw Swinkels wel te verstaon. ‘n Pront meens. D’r wier van gezééj desse in d’n oorlog int verzet gezeete had, saome meej “den Frik”. “Frik” waar ‘n pseudoniem vur frater Frederico, hoofd van de jongesschôol. (Jos Naaijkens; ‘Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot’;  CuBra, ca 2005); Vruuger zeeje ze dè Tilburgers ‘nie ont mar pront’ zèn. Òf ok wèl: ‘Nie lammenteere mar akkedeere.’ (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009); WBD III.1.4:66 'pronte mens' = goedzak; 72 'pront' = ingetogen; Jan Naaijkens - Dè's Biks – 'prònt' bn, bw - prompt, degelijk; 2. bijwoord = van het Franse 'prompt' (uitspraak = 'pront'); prompt, meteen, onverwijld; ...en pront deurwerken, war! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939); Hij waar persiesekes en secuur en pront en netjes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); En pront kwaam ut antwoord... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Pront doek men flèsse in den bak/ om et mieljeu te diene. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Der stòn der te wèèneg); Cees Robben – Ik zal pront betaole... kröske stèrreve... (19540821); Cees Robben – pront op tèèd (19590711); GD07 Laoter ginge der meer mèskes en pront vak leere; Andere bronnen; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PRONT - fraai, flink, groot en schoon v.leest, welgemaakt van lijf en leden. 'Ne pronte jongen, e pront meisken; bw.: juist, krek. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal – PRONT bn - keurig, netjes, zelfbewust. A.P. de Bont – pront, bnw. en bijw. 'pront' - prompt: 1) eerlijk, degelijk,net; 2) op de bepaalde tijd, stipt op tijd, regelmatig; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - pront - alles keurig verzorgend"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal