elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: proost

proost , proost , Toen nog twee of meer personen samen gelag maakten en brandewijn, enz. uit één glas dronken, (nog niet zoo heel lang geleden een algemeen gebruik), zei de eerste bij ’t overreiken: proost! waarop de tweede antwoordde: welbekoomt, zooveel als: wel bekome het u, en zoo ging het telkens de rij rond. Nog zegt men, elk met een glaasje in de hand, vóór men drinkt, proost! En: ’t was doar: proost welbekoomt! zooveel als: in dat gezelschap ging het lustig om een drinken. Ironisch: proost welbekoomt! (eigenlijk eene tautologie) zooveel als: ik dank er hartelijk voor, gij moogt het om mijn part gaarne hebben (of: doen); ook: ik zou je danken! touproosten = toedrinken; Oostfriesch toprôsten = toedrinken uit het zelfde glas. Holsteinsch proost; ’t Latijnsche prosit.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
proost , proost , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een werktuig bij het heien met de hand. Een houten paal van omtrent een vuist dikte en een meter lengte, met een handvat in het midden en aan de beide uiteinden een ijzeren band. Is de heipaal zo diep in de grond geslagen, dat men er slechts al bukkende op de heien kan, dan verlengt men deze door er de proost op te zetten, welke met de uitspringende benedenband om de paal heensluit, en slaat dan op de proost. || 1 Proost, 1 slaghaak, 1 koevoet, Hs. invent. (a° 1787), Zaanl. Oudhk. 3 Rollen, 1 marie en 1 proost, Invent. molenmakerij (a° 1846), aldaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
proost , praos , leunstoel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
proost , próst , m , fauteuil, leunstoel, ligstoel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
proost , pras , prasstool , luie stool. (WLD III 2.1, 66)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
proost , prós , leunstoel met een hoge brede rug, waaraan soms zijstukken zijn aangebracht.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
proost , proest , de , proesten , (Midden-Drenthe) = eigenwijs persoon Wat is dat een proest van een kèrelie! (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
proost , pròst , armstoel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
proost , prôst , armstoel, luie stoel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
proost , próst , zelfstandig naamwoord , leunstoel (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
proost , praos , leunstoel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal