elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: publiekĀ 

publiekĀ  , pebliek , publiek.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
publiek , publiek , het , publiek Dat gung onder mekaar, door kunden ze gien publiek bie broeken (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
publiek , pebliek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. openbaar, algemeen 2. met betrekking tot een overheidsdienst
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
publiek , pebliek , zelfstandig naamwoord , et 1. de mensen met elkaar, het volk als geheel, iedereen 2. kring van belangstellenden 3. de aanwezige toeschouwers, toehoorders
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
publiek , pebliek , zelfstandig naamwoord , publiek; Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): pebliek, publiek; pebliek; Cees Robben: sjiek pebliek
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal