elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pudding

pudding , poddik , (mannelijk) , Pudding; ook: dik ventje.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
pudding , poddik , (mannelijk) , Pudding; ook: dik ventje.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
pudding , podding , bodding  , pudding.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pudding , porrek , zelfstandig naamwoord, mannelijk , Jan in de zak. Goat noar oew beppe, loat’oe porrek kokn, loop rond!; porrek in n buul, meelpudding met rozijnen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pudding , pudding , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ik geef ’m toe op ’n pakkie pudding, je kunt hem van mij cadeau krijgen, ik vind hem waardeloos.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pudding , purk , pudding.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
pudding , pudding , de , puddings, puddingen , pudding Hij zakte as een pudding in ’nkannerk (Row), Zundags weur der pudding eten (Dal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pudding , puddik , poddik , pudding. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: poddik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pudding , puddik , pudding, purrik, purring , 1. pudding; 2. vla.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal