elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pul

pul , pul , jonge hen, kuiken. Van ’t Fransche poule en het Latijn pullus, welke laatste woord allerlei jong van gedierte beteekent.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pul , pul , (onzijdig) , pullen , het jong van een vogel; hennepul, eendepul. Ik heb een paar zwanen met tien pullen gezien.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pul , pul , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Verkl. pultje. - 1) Het jong van een eend, zwaan of kip. Synon. pulp, piepel. || Een eend mit tien pullen. Kijk ers wat ’en lieve pultjes. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 86; Taalgids 2, 120); ook KIL. vermeldt: “pulle, Holl. j. poelie, pullaster, pullastra”. Vgl. Fri. einepyl, onzijdig, jong van een eend (HALBERTSMA 880), Ned. piel, jonge eend (VAN DALE), Geld.-Overijs. pîlente, pîleke (GALLEÉ 22 b), Oost-Fri. Ndd. pile, pîl-ânte, pîlke (KOOLMAN 2, 717; SCHAMBACH 154). – Zie de samenst. eendepul, hennepul. 2) Klein kind, maar meestal in minachtende zin: stumperd, zwakkeling. || Drie maanden ’etrouwd, en nou al ’en pultje! – Heb-je ’et kindje van Guurt al ’ezien? och, mens, ’t is zo’n pultje. – Vgl. de samenst. hoerepul. 3) In deze zin mann. Olieslager, werkman op een olieslagerij. Meestal in de samenst. oliepul; zie aldaar. De bijnaam zal wel gegeven zijn, omdat olieslagers in hun werkpak dezelfde gele kleur hebben als eendepullen. – Vgl. pullen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pul , pulp , (zelfstandig naamwoord) , Jonge eend. Thans verouderd. – Synon. pul, piepel. || Op ’t gesichte van een Eend, met Pulpen, SCHAAP, Bloemt. 79.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pul , pöl , kleine kip, ook gezonde meid.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pul , pul , puul, pil , zelfstandig naamwoord de , 1. Kuiken. Vgl. Frans poule = kip. 2. Baby, kind. Verouderde variant pil. Verkleinvorm pultje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pul , pöl , opgroeiend jong kipje, niet meer bij de klokhen; verkleinvorm pölleke.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
pul , pul , pulle , de , pullen , Ook pulle (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. kan, kruik, drinkgerei Ik wil even een pulle drinken mithebben (Klv), Zet die pulle mit thee mar in de sloot, dan blif ze kold (Ruw), Bie de pompe stund altied een pulle (Ros), Een pulle mit warm water op berre veur de vouten (Bco), De boeren namen ’s zommers een blauwe pul met kaolde thee of koffie met hen het laand (Bei), z. ook tuit 2. bierpul Bier drinkt ze oet pullen (Pdh) 3. melkbus (Zuidwest-Drenthe) Hij zette de pullen in de fietskarre en trapte zachiesan op huus an (Hgv), Ie mut het lid van de pulle wat wieder indrukken (Bro) 4. vaas Wat hej mooie bloemen in die pulle staon (Dwi), Op kasten stunden vaak pullegies en op de schörstien bekers (Sle) 5. zak (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pul , pul , jonge kip, tienermeisje , És zóó'n schón pul in de straot kömt, kiike de jóng manne d'r óógen ût. Als zo'n mooi meisje de straat in komt, kijken de jongens hun ogen uit.
Meervoud pulle. De pulle zén bekant ôn de lèg, daor kun'de nog hil wa aojer van raope. De jonge kippen zijn bijna aan de leg, daar kun je nog heel wat eieren van rapen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pul , pulle , pul , zelfstandig naamwoord , de 1. gewone melkbus, kleiner type melkbus of soortgelijk busje voor karnemelk, pap e.d. 2. flinke hoeveelheid: die in een pulle, bet. 1 gaat 3. bierpul 4. vaas (vooral voor bloemen) 5. ouderwets soort veldfles met tuit waarin men koffie, thee, karnemelk meenam naar het land
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pul , pullechie , uitdrukking , Hij viel wel in ‘t pullechie Hij viel wel in de smaak
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pul , pulle , (zelfstandig naamwoord) , pul. Doe mi’j maer een pulle bier.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pul , pöl , (vrouwelijk) , pölle , pölke , 1. jonge kip 2. jong meisje 3. pul , De boer haet sjoean pölkes.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pul , pul , zelfstandig naamwoord , "N. Daamen (handschrift 1916) – ""pul - klein vierkant peperkoekje, waar om wij als kinderen op de markt loterde (loten)"""
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
pul , pöl , pölle , kip (jong)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal